ECLI:NL:HR:2025:1479
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake ambtshalve vermindering inkomstenbelasting 2012
Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 november 2023, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2012 had behandeld.
De Staatssecretaris van Financiën had verweer gevoerd middels een verweerschrift, waarop belanghebbende een conclusie van repliek had ingediend. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk omdat de klachten geen vragen bevatten die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder ziet de Hoge Raad geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is gewezen door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.