Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
14 oktober 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een strafzaak over medeplegen van voorbereiding van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte was in voorlopige hechtenis en stelde beroep in cassatie in tegen het hofarrest.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.
Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met zes jaren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en stelde deze vast op vijf jaar en negen maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken op 14 oktober 2025 door de vice-president Borgers en raadsheren Trotman en Kuiper.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en negen maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.