Uitspraak
vertegenwoordigd door [P] ,
Hoge Raad
Belanghebbende heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen een beschikking van de gemeente Rotterdam met betrekking tot de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en aanslagen voor onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en afvalstoffenheffing over het jaar 2022. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 26 februari 2025 uitspraak gedaan in deze zaak.
Belanghebbende heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en gelet op het advies van de procureur-generaal geconcludeerd dat het beroep duidelijk niet kan slagen.
Daarom is het beroep zonder verdere inhoudelijke motivering niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Het arrest is op 10 oktober 2025 in het openbaar gewezen door de Hoge Raad, waarbij de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter en raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk aanwezig waren.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard met toepassing van artikel 80a RO.