Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2024, waarbij beslag was gelegd op een personenauto die in verband stond met verdenking van rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.
Klaagster stelde onder meer dat de behandeling in de raadkamer openbaar had moeten plaatsvinden en dat de rechtbank onvoldoende onderzoek had verricht naar de proportionaliteit en subsidiariteit van de voortzetting van het beslag, vooral omdat de inbeslaggenomen auto de woning van klaagster betrof.
De Hoge Raad heeft de klachten van klaagster beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter, met raadsheren Trotman en Kuiper, in aanwezigheid van de waarnemend griffier Kea.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het beslag op de personenauto.