ECLI:NL:PHR:2025:1021

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
19 september 2025
Zaaknummer
24/03210
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Behandeling van klaagschrift inzake inbeslagname van personenauto en de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit

In deze zaak gaat het om een klaagschrift van de klaagster, die in beroep is gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, die op 22 juli 2024 haar verzoek om teruggave van een inbeslaggenomen personenauto ongegrond heeft verklaard. De klaagster, geboren in 1998, had haar voertuig in oktober 2023 in beslag laten nemen en woonde op dat moment in haar auto. De klaagster heeft twee middelen van cassatie ingediend, waarbij het eerste middel betrof de vraag of de behandeling in raadkamer op 8 juli 2024 in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat er een kennelijke misslag was in het proces-verbaal, maar dat de behandeling in het openbaar wel degelijk heeft plaatsgevonden. Het tweede middel betrof de vraag of de rechtbank voldoende had onderzocht of de voortzetting van het beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank toereikend gemotiveerd had geoordeeld en dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het beslag. Beide middelen falen, en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/03210 B

Zitting23 september 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de klaagster.

Inleiding

1.1
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, heeft bij beschikking van 22 juli 2024 [1] het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv strekkende tot teruggave van een inbeslaggenomen personenauto, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

2.
2.1
Het middel klaagt dat de behandeling in raadkamer op 8 juli 2024 niet in het openbaar heeft plaatsgevonden.
2.2
Het proces-verbaal van de behandeling door de raadkamer van 8 juli 2024 houdt niet in dat die behandeling in het openbaar heeft plaatsgevonden. Wel vermeldt de beschikking dat “de raadkamer op 8 juli 2024 klaagster, haar raadsvrouw en de officier van justitie, mr. [officier van justitie] , in openbare raadkamer [heeft] gehoord.”
2.3
De Hoge Raad heeft op de voet van art. 83 RO inlichtingen ingewonnen bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. De griffier van de rechtbank, mr. [griffier] , heeft bij brief ingekomen op 1 september 2023 aan de Hoge Raad het volgende medegedeeld:
“De raadkamer heeft vastgesteld dat in het proces-verbaal niet expliciet is vermeld dat de zaak in het openbaar is behandeld. In de beslissing wordt echter wel het volgende vermeld: "
De raadkamer heeft op 8 juli 2024 klaagster, haar raadsvrouw en de officier van justitie, mr. [officier van justitie] , inopenbare raadkamergehoord." Met deze verklaring bevestigt de griffier dat de zaak inderdaad in een openbare raadkamer is behandeld door de raadkamer.”
2.4
Op grond van de inhoud van deze brief moet het ervoor worden gehouden dat als gevolg van een kennelijke misslag is verzuimd in het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 8 juli 2024 op te nemen dat de behandeling van het klaagschrift in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad kan het proces-verbaal met verbetering van deze misslag lezen. Daarmee komt de feitelijke grondslag van het middel te vervallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden. [2]
2.5
Het middel faalt.

Het tweede middel

3.
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank niet blijk heeft gegeven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
3.2
Het namens de klaagster tegen de inbeslagneming ingediende klaagschrift houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
“1. In oktober 2023 is onder klaagster haar voertuig in beslag genomen. Het betreft een Peugeot 108 met kenteken RT209N. Klaagster woonde op dat moment in haar voertuig bij gebrek aan een woon- en verblijfplaats. Dat maakt de inbeslagname van het voertuig des te zwaar voor haar. (…)
2. Gelet op het feit dat klaagster als rechthebbende c.q. eigenaar van het voertuig kan worden aangemerkt, dient tot teruggave aan haar te worden overgegaan.
3. Klaagster wenst dit klaagschrift nader aan te vullen zodra zij het dossier heeft mogen ontvangen, aangezien op dit moment nog weinig informatie bij haar bekend is.
4. Klaagster kan zich in ieder geval niet verenigen met de inbeslagname en stelt zich op het standpunt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert. Klaagster wenst het beslag te laten toetsen door Uw Rechtbank. Voorts wensen klaagster en haar raadsvrouw in de gelegenheid te worden gesteld dit klaagschrift mondeling toe te lichten.
5. Ten aanzien van een eventuele verbeurdverklaring heeft te gelden dat het voertuig door klaagster op legale wijze is verkregen en derhalve niet van misdrijf afkomstig is.
6. Voor verbeurdverklaring is vereist dat het voorwerp aan de veroordeelde toebehoort en, mocht dat niet het geval zijn, voldaan aan de vereisten als genoemd in het tweede lid van artikel 33a Sr. De daar genoemde situaties van kwade trouw en een onbekende rechthebbende doen zich in casu niet voor. Als gevolg daarvan is het mede deze eis voor het verbeurd verklaren van het voertuig die maakt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de telefoons van klaagster verbeurd zal verklaren.
(…)
8. Gelet op voornoemde omstandigheden vordert het belang van strafvordering geenszins het voortduren van het beslag en dient teruggave van het in beslag genomen voertuig aan klaagster als redelijkerwijs rechthebbende te worden gelast. Enig ander belang van strafvordering waarvoor de inbeslagneming toelaat zal zich logischerwijs evenmin tegen teruggave verzetten.”
3.3
Het proces-verbaal van de raadkamer van 8 juli 2024 houdt onder meer het volgende in:

“Klaagster verklaart:

U, rechter, vraagt mij wat er is gebeurd. Ik ben sinds mei 2023 dakloos. Ik heb geen vaste woon- of verblijfplaats. Ik verblijf bij kennissen of in de crisisopvang. Hierdoor kan ik mijn post niet ontvangen en heb ik veel schulden opgebouwd. (…)
U, rechter, vraagt mij of ik wist dat ik met een ongeldig rijbewijs rondreed. Ik wist dit wel, maar ik kon niet anders. Ik sliep in mijn auto. De dag dat mijn auto in beslag is genomen heb ik zelf de politie gebeld vanwege een geweldsincident met mijn ex-partner. Vanwege dit incident is er een Veilig Thuis melding gemaakt en ben ik aangemeld bij een Blijf van mijn Lijf-huis. (…) De politie is gekomen, maar zij hebben mij helemaal niet geholpen. Mijn auto stond in de volle zon en ik wilde alleen mijn auto even verplaatsen, maar dat mocht niet van de politie. (…)
Ik weet dat ik fout zit, maar ik moest de auto wel verplaatsen. De politie heeft nooit genoteerd dat ik in mijn auto sliep. Zij zouden ook een zorgmelding hebben aangemaakt, maar deze is ook niet terug te vinden. Ik heb gehuild omdat ik nergens heen kon en niet wist waar ik terecht kon. De politie wilde mij echter niet helpen.

De raadsvrouw van klaagster voert aan:

De inbeslaggenomen personenauto was de enige plek waar zij kon verblijven. De brieven van het CBR hebben cliënt niet bereikt. Cliënt wist wel dat zij niet mocht rijden, maar zij zag geen andere optie en heeft slechts de auto verplaatst. Cliënt heeft een moeilijke tijd (gehad). Cliënt weet dat zij fouten heeft gemaakt, maar gelet op deze omstandigheden dient het persoonlijk belang van klaagster te prevaleren boven het strafvorderlijk belang. De inbeslaggenomen auto zal zij niet meer terug kunnen krijgen, maar het geld dat zij wel terug kan krijgen kan zij inzetten om haar leven te verbeteren. Ik verwijs hierbij ook naar de stukken die ik eerder via de mail heb toegestuurd.
3.4
De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:

“BeoordelingDe raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tol uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010 654).

Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van hel beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer.
Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer acht de raadkamer het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voorwerp zal verbeurd verklaren. De raadkamer neemt daarbij in aanmerking dat onder klaagster op 14 september 2023 een personenauto in beslag is genomen wegens het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Klaagster is al eerder een aantal keren staande gehouden terwijl zij in de personenauto reed met een ongeldig verklaard rijbewijs en heeft ook eerder waarschuwingen gehad van de politie over een mogelijke inbeslagname van de personenauto. Gelet op deze omstandigheden is de raadkamer dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.”
Het juridisch kader
3.5
Vooropgesteld moet worden dat de rechter bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht is ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [3]
3.6
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag. [4]
De bespreking van het middel
3.7
Het middel berust op de opvatting dat namens de klaagster is aangevoerd dat de inbeslaggenomen personenauto (tevens) de woning van de klaagster betrof en dat het persoonlijk belang dat de klaagster heeft bij de opheffing van het beslag om die reden zwaarder dient te wegen dan het strafvorderlijk belang. Evenals kennelijk en niet onbegrijpelijk de rechtbank heeft gedaan, lees ik dit betoog niet. Weliswaar is tijdens de mondelinge behandeling van het klaagschrift door en namens de klaagster aangevoerd dat zij op het moment van de inbeslagname in haar auto sliep en dat dit de enige plek is waar zij (op dat moment) kon verblijven, maar die omstandigheid wordt eerder in verband gebracht met de verwijtbaarheid van haar handelen, te weten het rijden zonder rijbewijs. [5] Klaagster legt zelf een verband met het niet kunnen ontvangen van post. Het verweer van de raadsvrouw komt erop neer dat de klaagster “een moeilijke tijd heeft (gehad)”, “geen andere optie [zag] en slechts de auto [heeft] verplaatst.” Over het persoonlijk belang dat de klaagster op het moment van die mondelinge behandeling (nog) had bij opheffing van het beslag heeft zij slechts aangevoerd dat de klaagster “het geld dat zij (…) terug kan krijgen kan (…) inzetten om haar leven te verbeteren”.
3.8
Ook in het klaagschrift wordt melding gemaakt van de omstandigheid dat de klaagster op het moment van de inbeslagname in haar voertuig woonde en dat dit de inbeslagname “des te zwaar” voor haar maakt. Daarin wordt (vervolgens) echter het standpunt ingenomen dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet vordert (en dus niet dat het persoonlijke belang van de klaagster bij de opheffing van het beslag zwaarder weegt dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan). Onder die omstandigheden acht ik het onder 3.4 weergegeven oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 en 3.6 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. [6]
3.9
Het middel faalt.

Afronding

4.
4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer 96-176250-24 en raadkamernummer 24-012613.
2.Vgl. HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0207. Zie ook HR 12 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1736 (art. 81 lid 1 RO) en mijn daaraan voorafgaande conclusie van 31 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:969.
3.Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.4.1 (onder verwijzing naar HR 19 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:247 en EHRM 7 november 2019, nr. 32644/09 (Apostolovi/Bulgarije), § 103).
4.Vgl. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.4.2.
5.De tijdens die mondelinge behandeling afgelegde verklaring van de klaagster dat zij “bij kennissen of in de crisisopvang [verblijft]” nog daargelaten.
6.De door de steller van het middel gemaakte vergelijking met HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1613 gaat ook in die zin niet op dat in dat geval beslag was gelegd op een kampeerwagen waarvan was komen vast te staan dat die diende als woning en de klager juist door het beslag dakloos was geworden. De klaagster in de onderhavige zaak was daarentegen helaas al dakloos en haar personenauto Peugeot 108 diende dan ook naar eigen zeggen niet als een woning maar als een noodoplossing, net als het ook door haar genoemde verblijf bij kennissen en de crisisopvang.