In deze zaak gaat het om een klaagschrift van de klaagster, die in beroep is gegaan tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, die op 22 juli 2024 haar verzoek om teruggave van een inbeslaggenomen personenauto ongegrond heeft verklaard. De klaagster, geboren in 1998, had haar voertuig in oktober 2023 in beslag laten nemen en woonde op dat moment in haar auto. De klaagster heeft twee middelen van cassatie ingediend, waarbij het eerste middel betrof de vraag of de behandeling in raadkamer op 8 juli 2024 in het openbaar heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat er een kennelijke misslag was in het proces-verbaal, maar dat de behandeling in het openbaar wel degelijk heeft plaatsgevonden. Het tweede middel betrof de vraag of de rechtbank voldoende had onderzocht of de voortzetting van het beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank toereikend gemotiveerd had geoordeeld en dat het belang van strafvordering zich verzet tegen de opheffing van het beslag. Beide middelen falen, en de conclusie strekt tot verwerping van het beroep.