Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet van toepassing was op de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon. Het Hof oordeelde dat de verrichte verbouwingen niet zodanig ingrijpend waren dat sprake was van een eerste ingebruikneming van een vervaardigd goed, zoals vereist voor de vrijstelling.
Belanghebbende voerde aan dat de Hoge Raad met zijn prejudiciële beslissing van 4 november 2022 te hoge eisen stelt aan het begrip ingrijpende verbouwing en dat Europese rechtspraak, met name het arrest Promo 54 van het Hof van Justitie, een ruimere uitleg vereist. De Hoge Raad oordeelt echter dat zijn uitleg van het begrip eerste ingebruikneming in overeenstemming is met de BTW-richtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt dat de vrijstelling van overdrachtsbelasting niet van toepassing is wanneer de verbouwing niet leidt tot een in wezen nieuw gebouw. De overige klachten van belanghebbende leiden niet tot vernietiging van het hofarrest. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.