Belanghebbende kreeg voor het jaar 2010 een voorlopige en later een definitieve aanslag inkomstenbelasting opgelegd. De definitieve aanslag werd vernietigd door het Gerecht wegens overschrijding van de wettelijke aanslagtermijn van vijf jaar. Belanghebbende stelde dat ook de voorlopige aanslag vernietigd moest worden.
Zowel het Gerecht als het Hof oordeelden dat de voorlopige aanslag gehandhaafd blijft voor zover deze niet hoger is dan de materiële belastingschuld, conform artikel 11, lid 4, van de Algemene landsverordening belastingen (ALB) van Aruba. Het Hof bevestigde dat de aanslagtermijn vijf jaar bedraagt en dat de definitieve aanslag niet tijdig was opgelegd.
In cassatie werd het oordeel van het Hof bevestigd. De Hoge Raad verwierp het incidentele beroep van de Minister dat de aanslagtermijn tien jaar zou moeten zijn. De Hoge Raad benadrukte dat de voorlopige aanslag blijft bestaan indien deze niet hoger is dan de materiële belastingschuld, ook als de definitieve aanslag wordt vernietigd. De Minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.