Uitspraak
[X]te
[Z]alsmede van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 20 september 1988 betreffende na te melden beschikking.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal of verrekening van voorlopige aanslagen inkomstenbelasting en ingehouden loonbelasting moet plaatsvinden wanneer de bevoegdheid tot het opleggen van een definitieve aanslag is vervallen wegens overschrijding van de wettelijke termijn. Belanghebbende had voor 1981 twee voorlopige aanslagen en ingehouden loonbelasting, maar de definitieve aanslag werd vernietigd wegens termijnoverschrijding.
De Inspecteur had geweigerd de voorlopige aanslagen en loonbelasting te verrekenen. Het Hof vernietigde dit besluit gedeeltelijk en kende een teruggaaf toe van de voorlopige aanslagen, maar bevestigde het oordeel over de loonbelasting. De Hoge Raad bevestigt dat loonbelasting niet louter een vooruitbetaling is, maar een zelfstandige heffing die onder omstandigheden als eindheffing kan gelden.
De Hoge Raad stelt dat ingehouden loonbelasting alleen teruggegeven kan worden als deze de materiële belastingschuld overtreft, ook als de definitieve aanslag vervalt. Voorlopige aanslagen moeten echter worden teruggegeven als de definitieve aanslag niet tijdig wordt opgelegd. De cassatieberoepen worden verworpen en het arrest van het Hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp de cassatieberoepen en bevestigde dat loonbelasting niet hoeft te worden verrekend bij vervallen aanslagbevoegdheid wegens termijnoverschrijding.