Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 16 juli 2025 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Hoewel de kennisgeving is ontvangen, is het griffierecht niet voldaan.
Op 14 augustus 2025 is belanghebbende in de gelegenheid gesteld om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 24 oktober 2025.