Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. Hoewel de brief in ontvangst werd genomen, werd het griffierecht niet betaald.
De griffier plaatste vervolgens een bericht in het digitale dossier van belanghebbende, waarin deze werd verzocht mee te delen waarom het griffierecht niet was voldaan. Belanghebbende ontving deze kennisgeving, maar maakte geen gebruik van de gelegenheid om te reageren.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 24 oktober 2025.