Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
4 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de kinderontvoering van een tweejarig meisje in 2016 centraal. Verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag door het meisje met geweld bij haar moeder weg te halen en naar India te brengen.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of het hof een verklaring van een deskundige, een medewerker van de Indiase ambassade, mocht gebruiken zonder dat de verdediging het ondervragingsrecht kon uitoefenen. Daarnaast werden klachten geuit over innerlijke tegenstrijdigheden in het bewijs, schending van het onschuldbeginsel, de feitelijke omschrijving en de toepassing van medeplegen. Ook werd de redelijke termijn van de procedure betwist, mede gezien de voorlopige hechtenis van verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering, mede op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens werd de vraag over de toepasselijkheid van de redelijke termijn en de vordering van immateriële schade aan de orde gesteld, maar zonder dat dit tot cassatie leidde.
Het arrest werd op 4 november 2025 uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.