ECLI:NL:HR:2025:1622

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
24/02019
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 282 lid 1 SrArt. 279 lid 2 SrArt. 6:106 sub b BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak kinderontvoering en medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving

In deze zaak stond de kinderontvoering van een tweejarig meisje in 2016 centraal. Verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag door het meisje met geweld bij haar moeder weg te halen en naar India te brengen.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de vraag of het hof een verklaring van een deskundige, een medewerker van de Indiase ambassade, mocht gebruiken zonder dat de verdediging het ondervragingsrecht kon uitoefenen. Daarnaast werden klachten geuit over innerlijke tegenstrijdigheden in het bewijs, schending van het onschuldbeginsel, de feitelijke omschrijving en de toepassing van medeplegen. Ook werd de redelijke termijn van de procedure betwist, mede gezien de voorlopige hechtenis van verdachte.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en zag geen noodzaak tot nadere motivering, mede op grond van artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens werd de vraag over de toepasselijkheid van de redelijke termijn en de vordering van immateriële schade aan de orde gesteld, maar zonder dat dit tot cassatie leidde.

Het arrest werd op 4 november 2025 uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad, waarbij het beroep van verdachte werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02019
Datum4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 mei 2024, nummer 23-002858-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat J.P. Plasman een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 november 2025.