Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
4 november 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De verdediging heeft een schriftuur ingediend namens de verdachte. Na beoordeling van de klachten en het advies van de procureur-generaal heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Dit betekent dat de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk heeft behandeld, maar het direct heeft afgewezen vanwege het ontbreken van een redelijke kans van slagen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in aanwezigheid van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, tijdens een openbare terechtzitting op 4 november 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan slaagkans.