Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot moord gepleegd in de nacht van 11 januari 2021 in Rotterdam, waarbij verdachte samen met drie anderen stenen gooide tegen het raam van de slaapkamer van de slachtoffers, een handgranaat richting dat raam wierpen en een automatisch vuurwapen richtte en de trekker overhaalde, maar het wapen weigerde dienst.
Het hof stelde vast dat de slachtoffers zich op dat moment niet in de slaapkamer bevonden, maar in de woonkamer, wat louter toeval was. Het hof oordeelde dat de verdachte met voorbedachte rade handelde en opzet had op de dood van de slachtoffers, mede gelet op de planmatige voorbereiding, taakverdeling en het gebruik van een echt wapen.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte opzet had aangenomen, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde het oordeel van het hof. Wel oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor de straf werd verminderd van zeven jaar naar zes jaar en negen maanden gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafmaat en verwierp het beroep voor het overige, waarmee de veroordeling tot poging tot moord met medeplegen en opzet definitief bleef staan.
Uitkomst: Veroordeling voor medeplegen poging tot moord met vermindering van gevangenisstraf naar zes jaar en negen maanden wegens termijnoverschrijding.