Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten
4.Beslissing
7 november 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag dat haar uitlevering aan Chili toestond. De Staat heeft in het cassatieproces een incidentele vordering ingediend tot verwijdering van bijlagen bij de procesinleiding, omdat deze bijlagen feiten bevatten die zich na het bestreden arrest hebben voorgedaan en dus niet tot het geding behoren.
De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 419 lid 2 Rv Pro de feitelijke grondslag van cassatiemiddelen alleen mag worden gevonden in de bestreden uitspraak en de stukken van het geding. De bijlagen die pas in cassatie zijn overgelegd, maken geen deel uit van het geding en kunnen daarom niet worden betrokken bij de beoordeling van het cassatiemiddel.
De Hoge Raad wijst de incidentele vordering van de Staat af, mede omdat de vraag of een uitzondering op deze regel moet worden gemaakt in deze zaak en een andere lopende zaak nog niet is beslist. Betrokkene verzocht om vergoeding van proceskosten, maar de Hoge Raad ziet hiervoor geen aanleiding en veroordeelt de Staat in de kosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar 27 februari 2026 voor verdere schriftelijke toelichting.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de incidentele vordering tot verwijdering van bijlagen bij de procesinleiding af en veroordeelt de Staat in de proceskosten van het incident.