Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 11 november 2025 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 juni 2023. Het betrof een zaak over schuldwitwassen van een geldbedrag van €19.267,13, waarbij verdachte werd veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van zestig uren.
De klachten van verdachte tegen het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet nader, omdat de klachten geen vragen bevatten die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde lichte, geheel voorwaardelijke taakstraf acht de Hoge Raad het voldoende om deze constatering te maken zonder verdere rechtsgevolgen te verbinden.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van zestig uren blijft in stand.