Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot moord op een advocaat-curator in 2019. Het hof legde een gevangenisstraf van vijftien jaar en negen maanden op. In cassatie werden diverse klachten over bewijs en strafmotivering aangevoerd, waaronder de vraag of het hof de curatorstatus van het slachtoffer strafverzwarend mocht meewegen en de beoordeling van schadevergoedingsvorderingen.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Op grond daarvan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van vijftien jaar en negen maanden tot vijftien jaar en zeven maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 11 november 2025.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van vijftien jaar en negen maanden tot vijftien jaar en zeven maanden wegens overschrijding redelijke termijn.