Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van diefstal uit een woning door middel van braak en inklimming. Hij reed samen met een mededader op een scooter naar de woning, bleef buiten wachten en gaf onder meer een steen aan waarmee een ruit werd ingegooid. De verdachte stelde in cassatie een bewijsklacht in tegen zijn aanmerkingen als medepleger.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest van het hof konden leiden en dat het hof terecht de verdachte als medepleger had aangemerkt. De Hoge Raad hoefde deze beslissing niet nader te motiveren omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 300 dagen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en beperkte de gevangenisstraf tot 293 dagen, waarvan 62 voorwaardelijk, en verwierp het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 293 dagen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.