Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak is door klaagster beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2024, waarin een klaagschrift werd afgewezen dat strekte tot opheffing van conservatoir beslag op twee bankrekeningen van klaagster. Het beslag was gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen haar partner.
De rechtbank had geoordeeld dat de raadkamer (RC) machtiging had verleend voor het leggen van conservatoir beslag ten behoeve van een aan klaagster op te leggen ontnemingsmaatregel, waarbij kennelijk ook beslag onder klaagster zelf was toegestaan. De Hoge Raad oordeelt dat deze maatstaf onjuist is toegepast. De rechtbank had moeten beoordelen of buiten redelijke twijfel vaststaat dat klaagster eigenaar is van de beslagen goederen en of de uitzonderingen in artikel 94a.4 of 94a.5 Sv van toepassing zijn.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant voor een nieuwe beoordeling. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt de beschikking, wijzend de zaak terug voor hernieuwde behandeling en beslissing.
De beschikking is gegeven door de vice-president Borgers als voorzitter, en raadsheren Caminada en Trotman, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 18 november 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling van het conservatoir beslag.