Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De beschikking van de rechtbank
3.Het cassatiemiddel
op [verdachte ].
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag van klaagster tegen het conservatoir beslag op twee bankrekeningen ongegrond, omdat het beslag was gelegd in het strafvorderlijk onderzoek tegen haar partner en de rechtbank aannam dat ook klaagster als verdachte kon worden aangemerkt. De rechtbank motiveerde dat het beslag niet alleen als derdenbeslag gold, maar ook ter bewaring van een recht op verhaal jegens klaagster.
De klaagster stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader toepaste dat geldt indien het beslag tegen haar persoonlijk was gelegd, terwijl het beslag in de strafzaak tegen haar partner lag. Ook klaagde zij dat de rechtbank niet had getoetst aan proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag met betrekking tot haar persoonlijke omstandigheden.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast door het beslag te beoordelen alsof het tegen klaagster zelf was gericht, terwijl het beslag in de strafzaak tegen haar partner lag. De rechtbank had moeten toetsen of buiten redelijke twijfel vaststond dat klaagster eigenaar was van de beslagen vermogensbestanddelen en of de uitzonderingen van art. 94a lid 4 en 5 Sv van toepassing waren. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het conservatoir beslag.