ECLI:NL:HR:2025:1708

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
23/04831
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 174.1 SrArt. 43.1 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocidenArt. 43.3 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biocidenArt. 2 SrArt. 7 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatiebeslissing over medeplegen markt brengen schadelijk bestrijdingsmiddel fipronil

In deze zaak staat het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2023, waarin een vennootschap werd veroordeeld voor medeplegen van het op de markt brengen van het bestrijdingsmiddel fipronil, waarvan het schadelijke karakter werd verzwegen. Dit leidde tot besmetting van miljoenen eieren in Nederland.

De verdachte vennootschap werd tevens veroordeeld voor het gebruik en in voorraad hebben van andere verboden biociden, in strijd met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van feiten gepleegd in België en op diverse bewijsklachten.

De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. Het hof heeft de zaak zorgvuldig behandeld en de klachten bevatten geen vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Daarom is het cassatieberoep verworpen.

De uitspraak bevestigt de veroordeling van de verdachte vennootschap voor de genoemde feiten en onderstreept het belang van strafrechtelijke handhaving bij het op de markt brengen van schadelijke bestrijdingsmiddelen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte vennootschap voor medeplegen van het op de markt brengen van het schadelijke bestrijdingsmiddel fipronil.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04831
Datum9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 november 2023, nummer 21-001969-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] V.O.F.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.H.J.G. van Voorthuizen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2025.