Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023, waarin hij werd veroordeeld voor opzettelijke invoer van cocaïne vanuit Curaçao. Het hof legde een gevangenisstraf van achttien maanden op.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de strafduur, en stelde voor deze te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad beoordeelde de klachten van het cassatieberoep en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, zodat geen nadere motivering noodzakelijk was.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden naar zeventien maanden en twee weken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafduur, verminderde de straf en verwierp het cassatieberoep voor het overige. Tevens wees de Hoge Raad het verzoek af om verdachte via videoconferentie te horen na zijn vertrek naar Curaçao.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd naar zeventien maanden en twee weken wegens overschrijding redelijke termijn; cassatieberoep verder verworpen.