ECLI:NL:HR:2025:1735
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 30 Belastingverdrag Nederland-Malta bij objectvrijstelling non-domiciled vennootschap
Belanghebbende, een vennootschap, was in hoger beroep gegaan tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de objectvrijstelling uit de Maltese Income Tax Act, waarop belanghebbende aanspraak maakte als non-domiciled vennootschap, moet worden beschouwd als een ‘bijzondere regeling’ in de zin van artikel 30 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Malta. Dit betekent dat de door belanghebbende behaalde vermogenswinsten in Nederland aan belastingheffing onderworpen zijn.
Belanghebbende stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten zonder inhoudelijke motivering omdat deze geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten. Het middel dat specifiek tegen de kwalificatie van de objectvrijstelling als bijzondere regeling was gericht, faalde eveneens op grond van een eerder arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2025.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand, bevestigend dat vermogenswinsten van non-domiciled vennootschappen uit Malta in Nederland belastbaar zijn op grond van het belastingverdrag.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand dat vermogenswinsten van non-domiciled vennootschappen uit Malta in Nederland belastbaar zijn.