ECLI:NL:HR:2025:1735

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
23/01375
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Belastingverdrag Nederland-MaltaWet op de rechterlijke organisatie, art. 81 lid 1Maltese Income Tax ActIncome Tax Management Act
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing artikel 30 Belastingverdrag Nederland-Malta bij objectvrijstelling non-domiciled vennootschap

Belanghebbende, een vennootschap, was in hoger beroep gegaan tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2012 tot en met 2014. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de objectvrijstelling uit de Maltese Income Tax Act, waarop belanghebbende aanspraak maakte als non-domiciled vennootschap, moet worden beschouwd als een ‘bijzondere regeling’ in de zin van artikel 30 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Malta. Dit betekent dat de door belanghebbende behaalde vermogenswinsten in Nederland aan belastingheffing onderworpen zijn.

Belanghebbende stelde in cassatie meerdere middelen aan de orde, maar de Hoge Raad verwierp deze klachten zonder inhoudelijke motivering omdat deze geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten. Het middel dat specifiek tegen de kwalificatie van de objectvrijstelling als bijzondere regeling was gericht, faalde eveneens op grond van een eerder arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2025.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand, bevestigend dat vermogenswinsten van non-domiciled vennootschappen uit Malta in Nederland belastbaar zijn op grond van het belastingverdrag.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand dat vermogenswinsten van non-domiciled vennootschappen uit Malta in Nederland belastbaar zijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/01375
Datum21 november 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, nrs. 20/00656 tot en met 20/00658 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/3495 tot en met HAA 19/3497) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2014 opgelegde navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Kastelein, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 12 januari 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De Hoge Raad heeft de klachten van de middelen I, II en III over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2.1
Het Hof heeft geoordeeld dat de objectvrijstelling waarvoor belanghebbende als non-domiciled vennootschap ter zake van de niet-Maltese vermogenswinsten op grond van artikel 4, lid 1, onder ii, van de Maltese Income Tax Act in aanmerking is gekomen, moet worden aangemerkt als een ‘bijzondere regeling’ als bedoeld in artikel 30 van Pro het Belastingverdrag Nederland-Malta [3] (hierna: het Verdrag). Dat brengt volgens het Hof mee dat artikel 30 van Pro het Verdrag van toepassing is en dat die door belanghebbende behaalde vermogenswinsten in Nederland aan belastingheffing zijn onderworpen.
2.2.2
Middel IV (in het cassatieberoepschrift abusievelijk aangeduid als middel V), dat zich richt tegen de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen van het Hof, faalt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 4.1 van het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1568.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase, P.A.G.M. Cools, A.E.H. van der Voort Maarschalk en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.

Voetnoten

3.Overeenkomst van 18 mei 1977, Trb. 1977, 82, zoals laatstelijk gewijzigd bij Protocol van 18 juli 1995, Trb. 1995, 224.