ECLI:NL:HR:2025:1735
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over vennootschapsbelasting en belastingverdrag Nederland-Malta
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over vennootschapsbelasting. De belanghebbende, [X] B.V., had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 16 februari 2023, waarin het Hof oordeelde over navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting voor de jaren 2012 tot en met 2014. De Staatssecretaris van Financiën was de wederpartij in deze procedure. De Hoge Raad heeft de klachten van de belanghebbende beoordeeld, maar deze niet gegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat de objectvrijstelling waarvoor de belanghebbende als non-domiciled vennootschap in aanmerking kwam, moet worden aangemerkt als een 'bijzondere regeling' onder het belastingverdrag tussen Nederland en Malta. Dit betekent dat de vermogenswinsten van de belanghebbende in Nederland aan belastingheffing zijn onderworpen. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om de uitspraak van het Hof te vernietigen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. De proceskosten werden niet toegewezen. Deze uitspraak is gedaan door een vijfkoppige kamer onder leiding van vice-president M.E. van Hilten.