Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
21 november 2025.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of afspraken over een variabel all-in loon in arbeidsovereenkomsten nietig zijn omdat ze in strijd zijn met het recht van werknemers op doorbetaling van loon tijdens vakantie, zoals gewaarborgd in art. 7 van Pro de Arbeidstijdenrichtlijn en art. 7:639 BW Pro.
De fysiotherapeuten waren parttime werkzaam bij de maatschap en ontvingen een salaris dat deels afhankelijk was van de door hen gerealiseerde omzet. De arbeidsovereenkomsten bevatten een all-in loonregeling inclusief vakantietoeslag, maar lieten onduidelijkheid bestaan over de verhouding tussen loon en vakantiedagen. Het hof oordeelde dat deze ondoorzichtige regeling de fysiotherapeuten ontmoedigde vakantie op te nemen, omdat zij tijdens vakantie geen omzet genereerden en dus financieel nadeel leden.
De Hoge Raad bevestigt dat het recht op doorbetaling van loon tijdens vakantie vereist dat werknemers niet worden ontmoedigd vakantie op te nemen door financiële nadelen. De all-in regeling was op dit punt niet transparant en daardoor nietig. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof de klachtplicht van de maatschap in hoger beroep opnieuw had moeten toetsen. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.