Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
4 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 7 juli 2022, waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting bij payrollbedrijven. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen met betrekking tot de duur van de opgelegde taakstraf, die volgens hem verminderd moest worden volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest, behalve voor de duur van de taakstraf. Omdat meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde taakstraf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De taakstraf wordt verminderd van 240 naar 216 uren, met een subsidiaire hechtenis van 108 dagen. Voor het overige wordt het beroep verworpen en blijft de veroordeling in stand.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd van 240 naar 216 uren wegens overschrijding van de redelijke termijn.