ECLI:NL:HR:2025:1764

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
24/01598
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over verjaringstermijn en aansprakelijkheid in mededingingsrechtelijke schadeclaims

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 28 november 2025 uitspraak gedaan in twee cassatiezaken met betrekking tot schadeclaims die voortvloeien uit een inbreuk op het Europese kartelverbod door Kone B.V. en Kone OYJ. De eiseres, Stichting Elevator Cartel Claim (SECC), heeft vorderingen ingesteld voor schadevergoeding als gevolg van deze inbreuk. De Hoge Raad behandelt de vraag of de verjaringstermijn voor deze vorderingen is aangevangen en of een stuitingshandeling door een entiteit binnen een onderneming ook geldt voor andere entiteiten binnen diezelfde onderneming. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de vorderingen van 14 claimhouders waren verjaard, omdat zij niet tijdig bekend waren met de schade en de aansprakelijke personen. Het hof bevestigde dit oordeel, waarbij het de aanvang van de verjaringstermijn vaststelde op de datum van publicatie van de beschikking van de Europese Commissie. De Hoge Raad oordeelt dat de bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit de beschikbaarheid van informatie, en dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen. De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt de eerdere uitspraken van de lagere rechters.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummers24/01598 en 24/01599
Datum28 november 2025
ARREST
In de zaak van
STICHTING ELEVATOR CARTEL CLAIM,
gevestigd te Den Haag,
EISERES tot cassatie,
hierna: SECC,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom,
tegen
1. KONE B.V.,
gevestigd te Voorburg,
2. KONE OYJ,
gevestigd te Espoo, Finland,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna in enkelvoud: Kone,
advocaten: A. Knigge en A. Stortelder,
en in de zaak van
1. KONE B.V.,
gevestigd te Voorburg,
2. KONE OYJ,
gevestigd te Espoo, Finland,
EISERESSEN tot cassatie,
hierna in enkelvoud: Kone,
advocaten: A. Knigge en A. Stortelder,
tegen
STICHTING ELEVATOR CARTEL CLAIM,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SECC,
advocaten: P.A. Fruytier en H. Boom.

1.Procesverloop in beide zaken

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaken C/10/547149 / HA ZA 18-309 en C/10/547255 / HA ZA 18-316 van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2013, 23 oktober 2019, 7 oktober 2020 en 23 juni 2021;
b. het arrest in de zaken 200.304.621 en 200.304.673 van het gerechtshof Den Haag van 23 januari 2024.
SECC en Kone hebben elk afzonderlijk tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaken zijn voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor SECC mede door G.J. Standhardt en E.W.T. Kerckhoffs en voor Kone mede door L.A. Burwick en N. Lgarah.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van beide cassatieberoepen.
De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten in beide zaken

2.1
Deze zaken gaan over vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van inbreuk op het Europese kartelverbod (zogenoemde
follow-on-vorderingen). De Hoge Raad doet vandaag ook uitspraak [1] in twee andere zaken over
follow-on-vorderingen naar aanleiding van hetzelfde kartel.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Kone is een onderneming die zich bezighoudt met het fabriceren, onderhouden en moderniseren van liften en roltrappen.
(ii) Er zijn vijf grote lift- en roltrapfabrikanten actief in Europa: Otis, Kone, Schindler, ThyssenKrupp en Mitsubishi Elevator Europe.
(iii) Aan deze vijf lift- en roltrapfabrikanten heeft de Europese Commissie bij onherroepelijk geworden beschikking van 21 februari 2007 [2] (hierna: de Beschikking) boetes opgelegd van in totaal € 992 miljoen wegens inbreuk in België, Duitsland, Luxemburg en Nederland op het kartelverbod van art. 101 VWEU, voorheen art. 81 EG-Verdrag.
(iv) De duur van het kartel in Nederland was van 15 april 1998 tot 5 maart 2004. Kone heeft daaraan deelgenomen van 1 juni 1999 tot 5 maart 2004. Voor de inbreuk in Nederland heeft de Europese Commissie aan Kone een boete opgelegd van € 79.750.000,--.
(v) SECC is op 15 december 2010 opgericht. Haar doelstelling is het verwerven en incasseren van vorderingen tot schadevergoeding van afnemers van de deelnemers aan het kartel. SECC heeft daartoe met 122 bedrijven en andere organisaties (hierna: de claimhouders) een overeenkomst van cessie gesloten.
(vi) Bij brief van 13 februari 2017 heeft SECC aan Kone onder meer meegedeeld dat zij inmiddels drie procedures bij de rechtbank Rotterdam is begonnen ter verkrijging van vergoeding van door afnemers van de liftfabrikanten geleden schade als gevolg van de in de Beschikking vastgestelde inbreuk op het kartelrecht. Ook heeft SECC meegedeeld dat de brief moet worden gezien als een schriftelijke mededeling tot stuiting van de verjaring.
2.3
In deze procedure vordert SECC, samengevat, verklaringen voor recht dat Kone in strijd heeft gehandeld met art. 81 EG Verdrag (thans art. 101 VWEU), en onrechtmatig heeft gehandeld jegens de claimhouders en dat Kone uit hoofde van art. 101 VWEU, art. 6:162 BW en art. 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.
2.4
De rechtbank heeft de vorderingen gedeeltelijk toegewezen en ten aanzien van 14 claimhouders geoordeeld dat hun vorderingen zijn verjaard. [3]
2.5
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, bekrachtigd. [4]
Het hof heeft daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
Voor de beoordeling van de verjaring zijn art. 3:310 BW en art. 3:316 BW uitgangspunt. De Kartelschaderichtlijn [5] en de implementatie daarvan in art. 6:193s BW e.v. zijn temporeel niet van toepassing zodat richtlijnconforme interpretatie van eerstgenoemde bepalingen niet aan de orde is. (rov. 6.25-6.28)
Op het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Europese Commissie (4 maart 2008), dan wel op het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (26 maart 2008), beschikten mogelijke benadeelden over voldoende informatie om daadwerkelijk een vordering tot vergoeding van de door hen geleden schade in te stellen. Het kan in het midden blijven op welk van deze twee momenten de verjaring een aanvang heeft genomen omdat dat voor de beoordeling geen verschil maakt. (rov. 6.29)
De op grond van art. 3:310 BW vereiste bekendheid met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon kan worden afgeleid uit de relevante feiten en omstandigheden, behoudens door de benadeelde te leveren tegenbewijs. De vereiste bekendheid kan dus worden aangenomen op grond van de beschikbaarheid van de informatie in de (samenvatting van de) Beschikking, tenzij SECC aantoont dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van die informatie niet bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. SECC heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen. Er kan dus van worden uitgegaan dat de verjaringstermijn in maart 2008 is aangevangen. De vorderingen van de 14 claimhouders opgesomd in rov. 4.14 van het eindvonnis zijn daarom verjaard, nu deze claimhouders niet zijn genoemd in de bijlagen bij de stuitingsbrieven. (6.30-6.32)
Een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep, stuit niet de verjaring ten aanzien van andere entiteiten van dezelfde groep. Een recht op schadevergoeding wegens een inbreuk op het mededingingsrecht van de Europese Unie moet worden uitgeoefend volgens nationaal recht. Naar Nederlands recht komt een recht op schadevergoeding toe aan een (rechts)persoon, niet aan een economische eenheid als een ‘onderneming’ in de zin van het mededingingsrecht. Die (rechts)persoon zal, als hij verjaring van de vordering tot schadevergoeding wil voorkomen, de verjaring moeten stuiten. Een andere (rechts)persoon kan dat namens hem doen. Maar een (rechts)persoon kan niet, zonder uitdrukkelijk te vermelden namens welke (rechts)personen hij nog meer optreedt, de verjaring van vorderingen behorende aan andere (rechts)personen stuiten op grond van het feit dat beide (rechts)personen tot dezelfde economische eenheid behoren. De
redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel. Van een karteldeelnemer kan niet worden gevraagd dat hij na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening blijft houden met schadevergoedingsvorderingen van alle rechtspersonen behorende tot eenzelfde economische eenheid vanwege een stuitingshandeling van één van hen. Vaak zal hij niet eens weten welke entiteiten deel uitmaken van een economische eenheid. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU of de Kartelschaderichtlijn leiden niet tot een ander oordeel. Uit het Skanska-arrest volgt dat in de context van vorderingen tot vergoeding van schade voor schending van de mededingingsregels van de Europese Unie uitgegaan moet worden van het begrip ‘onderneming’ in de zin van artikel 101 VWEU. In het Skanska-arrest gaat het echter om de aansprakelijkheid van de onderneming die inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht, niet om het recht op schadevergoeding van benadeelden. (rov. 6.33 en 6.53)

3.Beoordeling van het middel in de zaak 24/01598

3.1.1
Onderdeel I van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de vorderingen van een aantal claimhouders zijn verjaard. Onderdeel I.1.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een nationale verjaringsregel zo moet worden uitgelegd dat deze qua uitkomst verenigbaar is met de Kartelschaderichtlijn [6] en de Nederlandse wetgeving ter implementatie daarvan, ook indien de Kartelschaderichtlijn en art. 6:193s BW e.v. temporeel niet van toepassing zijn. Onderdeel I.1.2 betoogt dat het hof heeft miskend dat richtlijnconforme interpretatie van art. 3:310 lid 1 BW ook kan worden bereikt door die bepaling zo uit te leggen dat een benadeelde van een kartel pas daadwerkelijk in staat kan worden geacht om een rechtsvordering in te stellen tegen een inbreukpleger, en dus voldaan is aan het criterium van bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, nadat de beschikking van de Europese Commissie definitief is geworden.
3.1.2
Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval. [7]
3.1.3
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft in het arrest Heureka/Google [8] , samengevat en voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld over de aanvang van de verjaringstermijn onder de Kartelschaderichtlijn. Het is aan de nationale rechter bij wie een kartelschadevordering aanhangig is, om te bepalen vanaf welk tijdstip redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de benadeelde persoon kennis heeft genomen van de informatie die noodzakelijk is om zijn schadevordering wegens schending van de mededingingsregels te kunnen instellen. De nationale rechter is immers bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het hoofdgeding vast te stellen en te beoordelen. Het staat het HvJEU evenwel vrij om die rechter daarvoor richtsnoeren te geven. Zo blijkt uit eerdere rechtspraak [9] dat dit tijdstip in beginsel samenvalt met de datum van bekendmaking van de samenvatting van het desbetreffende besluit van de Europese Commissie in het Publicatieblad van de Europese Unie, mits de inbreuk op dat moment is geëindigd. Dit geldt ongeacht of het besluit van de Europese Commissie reeds definitief is. De aanknoping bij een dergelijke objectieve factor is in het belang van de rechtszekerheid. Het is niet uitgesloten dat de benadeelde persoon eerder kennisneemt van de gegevens die noodzakelijk zijn om de schadevordering te kunnen instellen. Het is aan degene tegen wie de vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld om aan te tonen dat dit het geval is. [10]
3.1.4
Hoewel de Kartelschaderichtlijn temporeel niet het onderhavige geval bestrijkt en het beoordelingskader dus wordt gevormd door het Nederlandse recht – met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel – is het hof in dit geval tot dezelfde uitkomst gekomen als waartoe toepasselijkheid van de Kartelschaderichtlijn en de Implementatiewet zou hebben geleid. Het hof heeft voor het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn immers aangeknoopt bij het moment van de plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Europese Commissie (4 maart 2008), dan wel het moment van de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad (26 maart 2008), en heeft daarvoor geen beletsel gezien in de omstandigheid dat de Beschikking op dat moment nog niet definitief was; een en ander is in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 3.1.3 is vermeld.
De hiervoor in 3.1.1 vermelde klachten stuiten reeds hierop af.
3.1.5
Onderdeel I.2.1 klaagt onder meer dat het hof het subjectieve karakter van de bekendheid als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW heeft miskend door aan te nemen dat de enkele plaatsing van de openbare versie van de Beschikking op de website van de Commissie, dan wel de bekendmaking van de samenvatting van de Beschikking in het Publicatieblad van de EU, daadwerkelijke bekendheid van de benadeelden met de Beschikking oplevert. Onderdeel I.2.2 bevat onder meer de rechtsklacht dat het hof niet daadwerkelijke bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon mocht aannemen op basis van de enkele beschikbaarheid van de Beschikking of de samenvatting daarvan. De onderdelen I.2.5 en I.2.6 klagen dat het hof een onjuiste stelplicht- en bewijslastverdeling heeft toegepast door van SECC te verlangen dat zij feiten of omstandigheden aanvoerde waaruit kan worden afgeleid dat de claimhouders pas op een later moment daadwerkelijk bekend werden met de aansprakelijke personen en hun schade, respectievelijk door ervan uit te gaan dat SECC zou moeten ‘aantonen’ dat een claimhouder ondanks de beschikbaarheid van de informatie daarmee niet bekend was.
Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.1.6
Het oordeel van het hof komt erop neer dat het aan de beschikbaarheid van de openbare informatie in (de samenvatting van) de Beschikking het vermoeden heeft ontleend dat de claimhouders daadwerkelijk bekend waren met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW. Het hof heeft dus niet het subjectieve karakter miskend van de door art. 3:310 lid 1 BW bedoelde bekendheid en zijn oordeel geeft ook voor het overige geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Met zijn overweging dat SECC geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat individuele claimhouders ondanks de publicatie van de (samenvatting van de) Beschikking over onvoldoende informatie beschikten om een vordering in te stellen, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat SECC dat vermoeden niet heeft ontzenuwd. Dat het hof spreekt van ‘aantonen’ betekent niet dat het hof het oog heeft gehad op zogeheten tegendeelbewijs in plaats van tegenbewijs, nog daargelaten dat SECC naar het oordeel van het hof het door Kone gestelde aanvangstijdstip onvoldoende heeft betwist om tot tegenbewijs te worden toegelaten. De overwegingen van het hof geven dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn. [11]
De hiervoor in 3.1.5 vermelde klachten falen dus.
3.1.7
Onderdeel I.3 en onderdeel II zijn gericht tegen het oordeel van het hof (in rov. 6.33 en 6.53) dat een stuitingshandeling van een entiteit die deel uitmaakt van een groep of onderneming, niet ook de verjaring stuit ten aanzien van andere entiteiten van die groep of onderneming. Volgens de onderdelen is dat oordeel onjuist, omdat een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht toekomt aan een onderneming als economische eenheid in de zin van het mededingingsrecht. De onderdelen verdedigen dat het doeltreffendheidsbeginsel meebrengt dat een stuitingshandeling met betrekking tot een schadevergoedingsvordering wegens een inbreuk op het mededingingsrecht, uitgebracht door een (rechts)persoon die onderdeel vormt van een onderneming als economische eenheid, geldt als een rechtsgeldige stuitingshandeling namens alle rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die onderneming.
3.1.8
De onderdelen falen op de gronden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.39-3.42.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). [12]

4.Beoordeling van het middel in de zaak 24/01599

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). [13]

5.Beslissing

De Hoge Raad:
In de zaak 24/01598:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt SECC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Kone begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien SECC deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
In de zaak 24/01599:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Kone B.V. en Kone Oyj in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SECC begroot op € 873,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kone B.V. en Kone Oyj deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
28 november 2025.

Voetnoten

1.HR 28 november 2025, ECLI:NL:2025:1761, zaaknrs. 24/01597 en 24/01603.
2.Commission Decision of 21 February 2007 relating to a proceeding under Article 81 of the EC Treaty (AT.38823 – Elevators and Escalators), C (2007) 512 final; zie ook de samenvatting in PbEU 2008, C 75/19; Gerecht EU 13 juli 2011, zaak T-151/07, ECLI:EU:T:2011:365; HvJEU 24 oktober 2013, zaak C-510/11 P, ECLI:EU:C:2013:696).
3.Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636.
4.Gerechtshof Den Haag 23 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:132.
5.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.
6.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, Pb L 349 van 5 december 2014, p. 1-19.
7.HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:18, rov. 3.5; HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:653, rov. 3.1.2; HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627, rov. 3.2.
8.HvJEU 18 april 2024, zaak C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google).
9.HvJEU 22 juni 2022, zaak C‑267/20, ECLI:EU:C:2022:494 (Volvo en DAF Trucks), punt 71.
10.HvJEU 18 april 2024, zaak C-605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), punt 64-78.
11.Vgl. HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0900, rov. 3.4.2.
12.Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van vandaag in de zaken 24/01597 tussen Kone en DGL en 24/01603 tussen Otis en DGL, ECLI:NL:2025:1761.
13.Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van vandaag in de zaken 24/01597 tussen Kone en DGL en 24/01603 tussen Otis en DGL, ECLI:NL:2025:1761.