De verdachte werd veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met de productie van BMK en amfetamine. Het hof veroordeelde hem tevens tot verbeurdverklaring van een inbeslaggenomen geldbedrag van €12.250, omdat het vermoedde dat dit bedrag was verkregen uit de criminele activiteiten.
De Hoge Raad oordeelde dat voor verbeurdverklaring vereist is dat het geldbedrag verband houdt met het bewezenverklaarde strafbare feit. Het hof had echter geen concrete vaststellingen gedaan waaruit volgt dat het geldbedrag door middel van de bewezenverklaarde deelneming aan de organisatie was verkregen. De enkele veroordeling voor deelneming aan de organisatie is onvoldoende om het geldbedrag daaraan te koppelen. Ook het feit dat het geld deels bestond uit coupures van €500 bood geen rechtsgrond voor verbeurdverklaring.
Verder stelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het geldbedrag bestemd kon zijn voor het plegen van andere misdrijven, terwijl de wettelijke grond voor verbeurdverklaring zich moet richten op het bewezenverklaarde feit. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de verbeurdverklaring betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Het overige cassatieberoep werd verworpen.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen.