Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of uit het feit dat het hof heeft vastgesteld dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte persoonlijk is uitgereikt, kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte was door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, op grond van artikel 9.2 van de Wegenverkeerswet 1994.
De verdachte stelde in cassatie een bewijsklacht in tegen deze vaststelling. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen en daarmee het arrest van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper op 16 december 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.