In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor het besturen van een auto terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van de verdachte, die aanvoert dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangetekende brief van het CBR, waarin de ongeldigverklaring van haar rijbewijs werd medegedeeld, in persoon aan haar is uitgereikt. De verdachte stelt dat zij de brief nooit heeft ontvangen en dat de handtekening op het afleverbewijs niet van haar is. Het hof heeft echter vastgesteld dat de brief op 27 oktober 2022 aan de verdachte is bezorgd, en dat er geen bewijs is dat iemand anders de brief heeft ontvangen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof op basis van de verzendgegevens en de verklaring van de verdachte tot de conclusie kon komen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte.