ECLI:NL:PHR:2025:1223

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
9 november 2025
Zaaknummer
24/03877
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verantwoordelijkheid van de verdachte bij het besturen van een auto met ongeldig rijbewijs

In deze zaak is de verdachte veroordeeld voor het besturen van een auto terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van de verdachte, die aanvoert dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangetekende brief van het CBR, waarin de ongeldigverklaring van haar rijbewijs werd medegedeeld, in persoon aan haar is uitgereikt. De verdachte stelt dat zij de brief nooit heeft ontvangen en dat de handtekening op het afleverbewijs niet van haar is. Het hof heeft echter vastgesteld dat de brief op 27 oktober 2022 aan de verdachte is bezorgd, en dat er geen bewijs is dat iemand anders de brief heeft ontvangen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof op basis van de verzendgegevens en de verklaring van de verdachte tot de conclusie kon komen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03877
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch in zowel in de zaak met parketnummer 96-035238-23 als in de zaak met parketnummer 96035079-23 wegens “overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot één taakstraf voor de duur van zestig uren te vervangen door dertig dagen hechtenis. Het arrest van het hof heeft parketnummer 20-000808-24 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3437).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de bewijsvoering van het in de zaak met parketnummer 96-035238-23 bewezenverklaarde feit dat erop neerkomt dat de verdachte op 31 december 2022 op de weg een auto heeft bestuurd terwijl zij “redelijkerwijs moest weten” dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. Het middel is niet gericht tegen de bewijsvoering in de andere zaak, die ook betrekking heeft op het op de weg besturen van een auto maar dan op 4 januari 2023 terwijl de verdachte toen “wist” dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. [1]
2.2
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte op 31 december 2022 redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. Voordat ik de bewezenverklaring en bewijsvoering weergeef, vermeld ik wat ter onderbouwing van het middel wordt aangevoerd omdat daarin een beroep wordt gedaan op feiten en omstandigheden die een geschikt kader vormen om de bewijsvoering te lezen.
2.3
In cassatie wordt aangevoerd dat het oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is, nu niet kan worden vastgesteld dat het besluit van het CBR in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Dat de brief met daarin het besluit van het CBR, dat het op naam van de verdachte gestelde rijbewijs met ingang van 1 november 2022 ongeldig was verklaard, in persoon is uitgereikt kan niet worden afgeleid uit het aangetekend verzenden en aan het adres van de verdachte afleveren van de brief. De stellers van het middel wijzen erop dat de verdachte haar rijbewijs nog bij zich had toen zij op 31 december 2022 werd aangehouden (waarin de stelling besloten ligt dat zij het rijbewijs wel had ingeleverd als zij de brief met het besluit van het CBR had ontvangen en gelezen). Het hof zou bovendien onvoldoende gemotiveerd hebben gereageerd op de verklaring van de verdachte waarin zij ontkent dat zij de brief met daarin het besluit in ontvangst heeft genomen en deze voor ontvangst heeft getekend. In hoger beroep is in dit verband aangevoerd dat de handtekening op het afleverbewijs niet van de verdachte is en dat niet kan worden vastgesteld wat er met de aangetekende brief is gebeurd. Daarbij wordt gewezen op de advocaat-generaal die ter terechtzitting vrijspraak had gevorderd van dit feit omdat hij van mening was dat de handtekening op het afleverbewijs niet lijkt op die van de verdachte en de verdachte heeft ontkend dat het haar handtekening is.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering
2.4
In de zaak met parketnummer 96-035238-23 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij op 31 december 2022 te [plaats] , terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan haar daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [a-straat] , als bestuurder een motorrijtuig (personenauto) van die categorie of categorieën heeft bestuurd”.
2.5
De bewezenverklaring rust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet d.d. 31 december 2022, PL2300-202203690-1, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Locatie: Op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [a-straat] , [plaats] .
Op 31 december 2022 om 03:34 uur zagen wij dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een motorrijtuig reed op genoemde weg/locatie. Ter controle op de juiste naleving van de bij- of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gegeven voorschriften hebben wij het motorrijtuig doen stilhouden en een onderzoek ingesteld.
Verdachte
Achternaam: [verdachte] ;
Voornaam: [verdachte] .
Motorrijtuig: Personenauto.
Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van de categorie: B.
Na onderzoek bleek dat van deze bestuurder een op haar naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
2. De aangetekende brief van het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, d.d. 25 oktober 2022 inhoudende ongeldigverklaring rijbewijs vanaf 1 november 2022.
Dit stuk is als bijlage aan dit arrest gehecht.
3. Een overzicht met de [zendingsgegevens] van de aangetekende brief van het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, d.d. 27 oktober 2022.
Dit stuk is als bijlage aan dit arrest gehecht.”
2.6
Beide stukken waarnaar het hof verwijst zijn gehecht aan het arrest zoals dat aan de Hoge Raad is gezonden. [2]
2.7
De aangetekende brief van het CBR van 25 oktober 2022 houdt onder andere in:

AANGETEKEND
[verdachte]
[a-straat 1]
[plaats]
Op 14 september 2022 hebben wij u een brief gestuurd. In de brief staat dat u moet meewerken aan een cursus over alcohol en verkeer. Ook staat in deze brief dat u eerst de opleggingskosten moet betalen. Helaas heeft u deze kosten niet, of niet op tijd betaald. Daarom verklaren we uw rijbewijs ongeldig vanaf 1 november 2022. En mag u niet meer rijden. In deze brief leest u waarom we dit besluit genomen hebben en wat dit voor u betekent.
Dit besluit wordt ook persoonlijk aan u uitgereikt door een medewerker van de Interdepartementale Post- en Koeriersdienst (IPKD).”
2.8
Uit de zendingsgegevens van de aangetekende brief geef ik ook de verzendstatus weer omdat daarop ter terechtzitting een beroep is gedaan door de raadsman van de verdachte en daarop in cassatie wordt teruggekomen:

Verzendstatus(…)
[vier achtereenvolgende pictogrammen]
Zending afgeleverd
27-10-2022, 13:27
Bij PostNL In sorteercentrum Bezorger Bezorgd
Aangemeld onderweg
Return to sender
Zending volgen op PostNL.nl
(…)
Zendingsgegevens
(…)
Ontvanger[verdachte]
Afzender[…] (…)
[a-straat 1] CBR Rijgeschiktheid
[a-straat 1] [plaats] Postbus 5301
Nederland 2280HH RIJSWIJK ZH
Nederland
Handtekening
Verzendstatusinformatie
Datum Tijd Locatie Verzendstatus
27-10-2022 13:27 Depot [plaats] Zending is bezorgd
27-10-2022 08:18 Depot [plaats] Bezorger is onderweg
27-10-2022 06:17 Depot [plaats] Zending is gesorteerd
2.9
Met betrekking tot de bewezenverklaring van dit feit heeft het hof nog in het bijzonder het volgende overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 96-035238-23. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte op 31 december 2022 wist of redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. Ten eerste heeft de verdachte verklaard dat de handtekening op het overzicht met verzendgegevens van de aangetekende brief d.d. 27 oktober 2022 niet van haar is. De handtekening lijkt ook niet op haar handtekening. Daarnaast staat onderaan voornoemd overzicht ‘locatie: Depot [plaats] ’ bij de verzendstatus: ‘Zending is bezorgd’. Het is volgens de raadsman onduidelijk of de zending vanuit het depot in [plaats] is bezorgd of dat de zending op die locatie is bezorgd. Tot slot staat er rechtsboven op voornoemd overzicht ‘return to sender’. Dit betekent dat de brief terug is gegaan naar de afzender, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Op 14 september 2022 is een brief namens het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, naar de verdachte verstuurd (aangehecht aan dit arrest). In deze brief staat vermeld dat de verdachte mee moet werken aan een cursus over alcohol en verkeer, omdat zij op 7 juli 2022 is aangehouden en er vervolgens bij een onderzoek naar het inwendig gebruik van alcohol een promillage van 474 ug/l is vastgesteld. Ook staat in deze brief vermeld dat als de verdachte deze cursus niet zal volgen, haar rijbewijs ongeldig zal worden verklaard.
Op 25 oktober 2022 is (onder meer) per aangetekende post een besluit van het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, met betrekking tot de ongeldigheid van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte verstuurd. Het onderwerp van de brief betreft: ‘Rijgeschiktheid mededelingen’. In deze brief staat vermeld dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig wordt verklaard, nu zij niet of niet op tijd de cursus over alcohol en verkeer heeft betaald. De ingangsdatum van de ongeldigverklaring betreft 1 november 2022.
Op het overzicht met zendinggegevens is te zien dat op 27 oktober 2022 om 13:27 uur een aangetekende brief namens het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, aan de verdachte op het adres [a-straat 1] is uitgereikt. Er is een handtekening op het overzicht gezet voor het in ontvangst nemen van deze aangetekende brief.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 oktober 2024 verklaard dat zij de brieven over het volgen van de cursus over alcohol en verkeer heeft ontvangen, maar niet de aangetekende brief van 25 oktober 2022 betreffende de ongeldigverklaring van haar rijbewijs. Volgens de verdachte is de handtekening op het verzendoverzicht niet van haar. Daarnaast heeft zij desgevraagd verklaard dat zij op genoemd adres samen met haar drie kinderen woont. Deze kinderen mogen van haar echter geen post aannemen waarvoor moet worden getekend, aldus de verdachte.
Het hof stelt vast dat het besluit met betrekking tot de ongeldigverklaring van het rijbewijs dateert van 25 oktober 2022. Het besluit heeft het onderwerp: ‘Rijgeschiktheid mededelingen’ en is door het CBR, Divisie Rijgeschiktheid, opgesteld. Blijkens de zendinggegevens is op 27 oktober 2022 een brief van het CBR van dezelfde divisie met hetzelfde onderwerp op het adres van de verdachte in ontvangst genomen. Het dossier geeft geen blijk van andere correspondentie van het CBR aan de verdachte in die periode. Immers de correspondentie omtrent het volgen van de cursus over alcohol en verkeer dateert van september 2022 en van verdere correspondentie van het CBR (in de laatste helft van 2022) blijkt niet. Het hof gaat er daarom van uit dat de op 27 oktober 2022 op het adres van de verdachte bezorgde brief deze brief van 25 oktober 2022 betreft met als inhoud de mededeling van de ongeldigverklaring van verdachtes rijbewijs.
Voor zover de verdachte heeft verklaard dat zij niet degene is geweest die de brief op 27 oktober 2022 in ontvangst heeft genomen en het niet haar handtekening is op het verzendoverzicht schuift het hof deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft verklaard dat zij samen met haar drie kinderen woont en dat de kinderen geen brieven mogen aannemen waarvoor moet worden getekend. Gelet hierop en gelet voorts op het ontbreken van enig aanknopingspunt dat een ander op 27 oktober 2022 op het adres van de verdachte voor ontvangst van de aan verdachte gerichte brief heeft getekend, kan het niet anders dan dat het verdachte zelf is geweest die dat heeft gedaan. Het hof is aldus van oordeel dat de verdachte degene is geweest die de aangetekende brief op 27 oktober 2022 in ontvangst heeft genomen. Of de verdachte vervolgens, voorafgaand aan de pleegdatum, daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud van deze brief kan het hof niet vaststellen, maar het eventueel niet kennis nemen van de inhoud komt voor rekening en risico van de verdachte. Aldus is het hof van oordeel dat de verdachte op de pleegdatum minst genomen redelijkerwijs moest weten dat haar rijbewijs ongeldig was verklaard. Het verweer van de raadsman met betrekking tot de gestelde onduidelijkheid over het verzendoverzicht omtrent ‘locatie: Depot [plaats] ’ en ‘return to sender’ maakt dit niet anders, nu volgens het hof het duidelijk is dat de brief, blijkens de verzendstatusinformatie, vanuit het depot te [plaats] om 06.17 uur is gesorteerd, de bezorger om 08.18 uur onderweg is en om 13:27 uur de brief op het adres van de verdachte is bezorgd en het deel bovenaan de brief terug naar de verzender moet opdat het CBR weet of de ontvanger de brief al dan niet heeft ontvangen. Daarbij staat bij de verzendstatus: zending afgeleverd op 27-10-2022, 13:27 uur.
Het verweer wordt verworpen.”
Bespreking van het middel
2.1
De rechtspraak van de Hoge Raad omvat een flink aantal zaken waarin de bewijsvoering van het “wist of redelijkerwijs moest weten” dat een op naam van de verdachte gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard, ontoereikend werd geoordeeld, ook als vaststond dat de mededeling per aangetekende brief aan de verdachte is verzonden. De zaken hebben gemeen dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de aangetekende brief de verdachte daadwerkelijk heeft bereikt. De vaststelling dat de aangetekende verzonden brief vervolgens niet retour is gekomen is onvoldoende om het oordeel op te baseren dat de verdachte van de ongeldigverklaring “redelijkerwijs moest weten”. [3]
2.11
In de onderhavige zaak wordt de vraag aan de orde gesteld of het hof heeft mogen aannemen dat de aangetekende brief met het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in persoon aan de verdachte is uitgereikt. In dat geval is de bewijsvoering dat de verdachte “redelijkerwijs moest weten” van de ongeldigverklaring toereikend. Daarbij wijs ik op wat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146 heeft overwogen met betrekking tot de eisen die aan de bewijsvoering van een op artikel 9 lid 2 eerste volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging worden gesteld:
“In de derde plaats moet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit vereiste hangt ermee samen dat art. 9 WVW 1994 een misdrijf oplevert; een dergelijk vereiste geldt bijvoorbeeld niet bij de overtreding van art. 107 WVW 1994. De vraag of aan dit vereiste is voldaan kan bijzondere aandacht verdienen, in het bijzonder in die gevallen waarin daaromtrent niets blijkt uit de verklaringen van de verdachte, noch uit gedragingen zoals het voldoen aan de verplichting het ongeldig verklaarde rijbewijs in te leveren (vgl. art. 124, vierde lid, onderscheidenlijk art. 132, vijfde lid, WVW 1994). In dat verband is van belang dat in de rechtspraak van de Hoge Raad meermalen is beslist dat uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief en als gewone brief naar de verdachte is verzonden en die brieven vervolgens niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte ‘wist of redelijkerwijs moest weten’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (vgl. bijvoorbeeld HR 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6762). Welke bijkomende of andere omstandigheden wel toereikend zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. (…) Opmerking verdient dat de bewijsmotivering in dit opzicht wel toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.
2.12
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het oordeel van het hof, dat de brief in persoon aan de verdachte is uitgereikt, een feitelijk oordeel inhoudt dat in cassatie alleen op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst omdat het is verweven met de beoordeling van feiten en omstandigheden waaronder die uitreiking heeft plaatsgevonden. Ik merk daarbij ook op dat de redenen die in cassatie worden aangevoerd waarom het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, vooral feiten en omstandigheden betreffen waarop in feitelijke aanleg een beroep is gedaan om te onderbouwen dat de brief niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Het gaat met andere woorden om motiveringsklachten. De motivering van het hof wordt niet onbegrijpelijk als het hof de feiten en omstandigheden anders interpreteert of daaraan voorbijgaat. Het heeft daarom geen zin om in cassatie nogmaals in te gaan op alle feiten en omstandigheden die in cassatie worden aangevoerd.
2.13
Samenvattend baseert het hof zijn oordeel dat de brief met het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs aan de verdachte in persoon is uitgereikt niet alleen op het feit dat de brief aangetekend is verzonden, maar ook op de registratie van PostNL, de verklaring van de verdachte en het ontbreken van feiten en omstandigheden die onderbouwen dat op de specifieke dag 27 oktober 2022 een ander dan de verdachte de brief in ontvangst heeft genomen.
2.14
De uitleg die het hof heeft gegeven aan de ‘zendinggegevens’ acht ik niet onbegrijpelijk omdat deze inhouden dat een brief van het CBR is verzonden aan de verdachte. Ik constateer dat niet is betwist dat de zendinggegevens betrekking hebben op de brief met het besluit dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard met ingang van 1 november 2022 en dat ook niet is betwist dat het is gericht aan het woonadres van de verdachte. Ook het oordeel dat de brief is afgeleverd op 27 oktober 2022 aan het woonadres acht ik niet onbegrijpelijk gelet op de datum met het tijdstip dat is vermeld onder het opschrift “Zending afgeleverd”, op het feit dat bij ‘Ontvanger” een handtekening is gezet en dat als ontvanger de naam en het woonadres van de verdachte zijn vermeld. Ook het oordeel dat de brief op dat adres aan de verdachte is uitgereikt acht ik niet onbegrijpelijk mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf dat zij daar samen met haar kinderen woont (en niet met anderen) en dat de kinderen geen brieven mogen aannemen waarvoor getekend moet worden. Hetzelfde geldt voor de gevolgtrekking van het hof dat het, op basis van feiten en omstandigheden die ik net heb samengevat, de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde schuift dat zij niet degene is geweest die op 27 oktober 2022 de brief in ontvangst heeft genomen en het niet haar handtekening is op het verzendoverzicht.
2.15
In de schriftuur wordt met een beroep op HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1738 nog aangevoerd dat van belang is dat duidelijk wordt aan wie een aangetekend stuk is uitgereikt omdat “slechts op grond van de uitreiking van het stuk in combinatie met een voor ontvangst gezette handtekening niet kan worden vastgesteld wie het betreffende stuk onder zich heeft genomen.” In de zaak waarover in dit arrest is beslist, bleek uit de aan de dagvaarding gehechte akte van uitreiking dat de dagvaarding niet aan de geadresseerde was uitgereikt maar aan een huisgenoot op het adres waar de geadresseerde in de Basisregistratie Personen stond ingeschreven, zonder dat de akte van uitreiking de naam vermeldde van die huisgenoot. Deze vergelijking gaat echter mank omdat in dit arrest het wettelijke voorschrift van art. 36h lid 1 onder d Sv aan de orde was over de betekening van gerechtelijke mededelingen. Dit artikel schrijft voor dat op de akte van uitreiking de persoon wordt vermeld aan wie de mededeling is uitgereikt. Een dergelijk voorschrift ontbreekt bij de bekendmaking van de beslissing tot ongeldigverklaring van een rijbewijs, die wordt geregeld door art. 3:41 Algemene wet bestuursrecht. De klacht gaat er verder van uit dat in de zaak die nu in cassatie aan de orde is, niet kon worden vastgesteld aan wie de brief is uitgereikt. Het hof heeft echter vastgesteld dat de brief is uitgereikt aan de verdachte en ik heb uiteengezet dat en waarom die vaststelling niet onbegrijpelijk is. Daarom faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. [4]
2.16
Aan het oordeel van het hof ligt verder de opvatting ten grondslag dat als de brief in persoon aan de verdachte is uitgereikt de verdachte “redelijkerwijs moet weten” dat haar de rijbevoegdheid is ontzegd. Met de stellers van het middel lees ik in de laatste volzin in de hierboven in randnummer 2.11 weergegeven overweging van het arrest van 9 juli 2019 dat de bewijsmotivering van het “redelijkerwijs moet weten” toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat een uitreiking van het besluit tot ongeldigverklaring in persoon heeft plaatsgevonden.
2.17
Het oordeel van het hof dat de verdachte “redelijkerwijs moest weten” dat aan haar de rijbevoegdheid was ontzegd is niet onbegrijpelijk gelet op het oordeel dat de brief met het besluit tot ongeldigverklaring van haar rijbewijs in persoon is uitgereikt, een oordeel dat feitelijk is en niet onbegrijpelijk.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit feit heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep bekend. Deze bekennende verklaring heeft het hof voor het bewijs gebruikt.
2.Beide stukken zijn als gevolg van een administratieve vergissing niet gehecht aan het arrest dat via het portaal aan de raadslieden ter beschikking is gesteld. Zij hebben beide stukken zelf gehecht aan de schriftuur.
3.Vgl. het hierna aangehaalde HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146,
4.Overigens laat de Hoge Raad ook in het genoemde arrest van 24 november 2024 de mogelijkheid open dat “anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt”.