Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
2 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor meervoudige oplichting door zich voor te doen als bonafide dakdekker, klanten voorschotten te laten betalen en vervolgens de werkzaamheden niet of niet volledig uit te voeren.
De Hoge Raad beoordeelde meerdere cassatiemiddelen, waaronder klachten over daderschap, bewijsvoering, de weigering van het hof om een foto te betrekken bij het laatste woord van verdachte, de begrijpelijkheid van het oordeel over vorderingen van benadeelde partijen, en de strafoplegging. De klachten over bewijs en procedure werden verworpen, maar het middel dat stelde dat de redelijke termijn was overschreden werd gegrond verklaard.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en de gijzingsduur verbonden aan de schadevergoedingsmaatregelen. De straf werd verminderd van 31 naar 30 maanden. Daarnaast werd ambtshalve vastgesteld dat de gijzingsduur maximaal 360 dagen mag bedragen, waarbij de opgelegde gijzingsdagen per slachtoffer met één dag werden verminderd.
De overige klachten werden verworpen en het beroep werd voor het overige afgewezen. De uitspraak bevestigt de wettelijke grenzen aan gijzingsduur en benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 30 maanden en de gijzingsduur bij schadevergoedingsmaatregelen tot maximaal 360 dagen.