Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 november 2025.
Hoge Raad
Partijen hebben in kort geding een schikkingsovereenkomst gesloten met een geheimhoudingsbeding en een boetebeding van €100.000 per overtreding. Lucrum c.s. vorderden executoriale tenuitvoerlegging van boetes wegens vermeende overtredingen door [verweerder 1].
De rechtbank en het hof wezen het verzoek tot verkoop en overdracht van aandelen af omdat het proces-verbaal niet voldeed aan de vereiste objectieve bepaalbaarheid van het verschuldigde bedrag. Het proces-verbaal bevatte geen bindende regeling over de vaststelling van de overtreding en daarmee de boete, waardoor het geen executoriale titel vormt.
De Hoge Raad bevestigt dat de executoriale kracht van een proces-verbaal van schikking moet worden beoordeeld aan de maatstaf van authentieke aktes. Een contractuele boete verbonden aan een geheimhoudingsbeding is afhankelijk van toekomstige onzekere gebeurtenissen en kan daarom niet zonder nadere rechterlijke toetsing worden uitgevoerd.
Ook oordeelt de Hoge Raad dat de procedure op grond van art. 474g Rv niet geschikt is voor inhoudelijke beoordeling van de vraag of het geheimhoudingsbeding is overtreden, omdat deze procedure primair dient voor de vaststelling van de wijze van verkoop van beslaggenomen aandelen en niet voor bewijslevering over geschilpunten.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de beoordeling van de vermeende overtredingen en boeteplicht in een bodemprocedure moet plaatsvinden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het proces-verbaal van schikking is geen executoriale titel voor boetes en art. 474g Rv procedure is niet geschikt voor inhoudelijke beoordeling van overtreding.