ECLI:NL:HR:2025:1819

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
23/03761
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in zaak ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak heeft de betrokkene, een rechtspersoon, cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2023, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, omdat de ingediende klachten niet konden worden aangemerkt als geldige cassatiemiddelen.

De klachten richtten zich voornamelijk tegen de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de bestuurder van de vennootschap en het oordeel van het hof dat betrokkene en bestuurder met elkaar moesten worden vereenzelvigd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet als cassatiemiddelen konden worden aangemerkt, omdat zij niet gericht waren op schending van een rechtsregel of een vormverzuim.

Daarom kon de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de strikte eisen die aan cassatiemiddelen worden gesteld, met name in zaken over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03761 P
Datum2 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2023, nummer 23-003440-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] B.V.,
gevestigd in [plaats],
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat C.F. Korvinus bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het namens haar ingestelde cassatieberoep.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de betrokkene niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 december 2025.