Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
2 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de betrokkene, een rechtspersoon, cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 21 september 2023, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep, omdat de ingediende klachten niet konden worden aangemerkt als geldige cassatiemiddelen.
De klachten richtten zich voornamelijk tegen de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de bestuurder van de vennootschap en het oordeel van het hof dat betrokkene en bestuurder met elkaar moesten worden vereenzelvigd. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet als cassatiemiddelen konden worden aangemerkt, omdat zij niet gericht waren op schending van een rechtsregel of een vormverzuim.
Daarom kon de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de strikte eisen die aan cassatiemiddelen worden gesteld, met name in zaken over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard en niet in behandeling genomen.