Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 juli 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich richtte op de grootschalige handel in en uitvoer van hennep en hasj, op grond van de Opiumwet.
De verdachte stelde in cassatie een middel voor via zijn advocaat, gericht op een bewijsklacht met betrekking tot de pleegperiode. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest kunnen leiden. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, en uitgesproken op 9 december 2025. Het cassatieberoep is verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.