Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De verdachte was eerder veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij het hof oordeelde dat een hypothecaire lening van € 450.000 was verkregen door gebruik te maken van valse werkgeversverklaringen en arbeidsovereenkomsten. De verdachte had samen met een medeverdachte een woonboerderij gekocht en bij de aanvraag van de lening valse documenten ingediend. Het hof had vastgesteld dat de mededader in 2005 een woonboerderij had gekocht en dat de hypothecaire lening was afgesloten met valse documenten. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof over het medeplegen van gewoontewitwassen toereikend gemotiveerd was en dat de vrijspraak van oplichting door de rechtbank niet aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen kon worden. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte verworpen, maar heeft wel de opgelegde taakstraf en vervangende hechtenis verminderd, omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden. De uitspraak van de Hoge Raad heeft implicaties voor de beoordeling van de bewijsvoering in zaken van witwassen en de relatie met eerdere vrijspraken.