ECLI:NL:HR:2025:1867

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/01647
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter.1 SrArt. 420bis.1.b SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen gewoontewitwassen

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof oordeelde dat een hypothecaire geldlening van €450.000 was verkregen door gebruik van valse werkgeversverklaring en arbeidsovereenkomst.

De verdachte stelde onder meer dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd was en niet verenigbaar met een eerdere onherroepelijke vrijspraak voor oplichting. De Hoge Raad verwijst naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2025:1866) en verwerpt deze klachten. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde taakstraf.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de taakstraf en vervangende hechtenis, vermindert de taakstraf van 150 naar 135 uren en de hechtenis van 75 naar 67 dagen, en verwerpt het beroep voor het overige. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren op 9 december 2025.

Uitkomst: Taakstraf verminderd tot 135 uren en vervangende hechtenis tot 67 dagen wegens overschrijding redelijke termijn; overige klachten verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01647
Datum9 december 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2023, nummer 23-002741-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.E. van der Werf bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen “de (partiële) vrijspraken en de overige voor verdachte gunstige beslissingen van het Gerechtshof Amsterdam”.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van gewoontewitwassen. Het voert daartoe onder meer aan dat het oordeel van het hof dat de hypothecaire geldlening van € 450.000 is verkregen door het gebruik van een valse werkgeversverklaring en valse arbeidsovereenkomsten, ontoereikend is gemotiveerd en ook niet verenigbaar is met de onherroepelijke vrijspraak door de rechtbank van de onder 2 als eerste tenlastegelegde oplichting.
2.2
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01646, ECLI:NL:HR:2025:1866.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat de taakstraf 135 uren beloopt, subsidiair 67 dagen hechtenis;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 december 2025.