Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
9 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 12 april 2023. De verdachte, geboren in 1963, was in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen. De advocaat van de verdachte, M.E. van der Werf, heeft een cassatiemiddel ingediend, waarbij hij aanvoert dat het oordeel van het hof over de hypothecaire geldlening van € 450.000, verkregen door gebruik van valse werkgeversverklaringen en valse arbeidsovereenkomsten, onvoldoende gemotiveerd is. Tevens wordt gesteld dat dit oordeel niet verenigbaar is met een eerdere onherroepelijke vrijspraak door de rechtbank voor oplichting.
De advocaat-generaal, P.H.P.H.M.C. van Kempen, heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de opgelegde taakstraf en vervangende hechtenis. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft ook ambtshalve de redelijke termijn overschreden vastgesteld, wat heeft geleid tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 150 uren naar 135 uren, en de vervangende hechtenis van 75 dagen naar 67 dagen. De Hoge Raad heeft het beroep voor het overige verworpen.