ECLI:NL:HR:2025:1882
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over redelijke termijn en vergoeding immateriële schade in WOZ-zaak
Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn was gematigd van €500 naar €50. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft afgeweken van de door de Rechtbank vastgestelde bedragen van €42 en €8 voor respectievelijk het College van B&W van Haarlemmermeer en de Staat.
De Hoge Raad bevestigt daarom de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de vergoeding van immateriële schade en vernietigt het Hof-arrest op dit punt. Daarnaast wijst de Hoge Raad de beslissing over de hoogte van de vergoeding van proceskosten voor beroepsmatige rechtsbijstand aan nader feitenonderzoek toe, omdat de stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een definitief oordeel.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten van 17 januari 2025 en 18 juli 2025 waarin de criteria voor bijzondere gevallen en proceskostenvergoedingen zijn uitgewerkt. Omdat deze arresten na het instellen van cassatie zijn gewezen, krijgen partijen de gelegenheid nadere gegevens te verstrekken en daarop schriftelijk te reageren.
De Hoge Raad veroordeelt het College en de Staat ieder voor de helft in de kosten van het cassatiegeding en houdt verdere beslissing aan totdat de procedure rond de proceskostenvergoeding is doorlopen. Dit arrest is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vergoeding van immateriële schade zoals door de Rechtbank vastgesteld en houdt verdere beslissing over proceskostenvergoeding aan voor nader feitenonderzoek.