In deze zaak stond de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn centraal. Belanghebbende had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, waarna het Gerechtshof Amsterdam een hogere vergoeding toekende. De Hoge Raad stelde in een eerder tussenarrest vast dat het hofarrest niet in stand kon blijven voor zover het de vergoeding van immateriële schade betrof.
De Hoge Raad gaf belanghebbende vervolgens de gelegenheid om nadere gegevens te verstrekken om aan te tonen dat sprake was van een bijzonder geval voor een hogere proceskostenvergoeding, zoals bedoeld in een eerder arrest van januari 2025. Belanghebbende heeft hier geen gebruik van gemaakt, waardoor de Hoge Raad uitgaat van de standaardregeling onder de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar in de proceskosten van cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten voor het incidentele hoger beroep. De vergoeding van immateriële schade wordt gematigd van €500 naar €50.