ECLI:NL:HR:2025:1904
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2016
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 oktober 2024, waarin het hoger beroep over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016 werd behandeld. De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in en belanghebbende een conclusie van repliek.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof. De Hoge Raad vond het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten besloot de Hoge Raad dat er geen aanleiding is voor een veroordeling. Het arrest werd op 12 december 2025 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.