Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Inleiding
1.Afwijking(en) per onderdeel van de aangifte
- 7.078-
2.Berekening
- +43.480
- 386.211
- 24.437
Wat vraagt u aan de rechter?
Geschil
€ 255.542+
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende is bestuurder van een Limited die in 2010 werd opgeheven. Voor het jaar 2016 werd een aanslag IB/PVV opgelegd met correcties op het belastbaar inkomen uit werk en woning en uit sparen en beleggen. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag en de daarbij behorende beschikkingen, waaronder een verzuimboete. De rechtbank vernietigde de boetebeschikking en kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening om de Inspecteur te verplichten alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen. Het Gerechtshof oordeelde dat er geen onverwijlde spoed was voor een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. Het hof bevestigde de beoordeling van de rechtbank dat de Inspecteur zijn verplichtingen inzake het overleggen van stukken niet heeft geschonden en dat de hoorplicht niet is geschonden.
De waardering van de hypothecaire vordering op de Limited werd bevestigd op 50% van 70% van de nominale waarde, en het hof oordeelde dat er op de peildatum geen sprake was van schulden. Het beroep op een individuele en buitensporige last werd verworpen. De proceskostenvergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand werd vernietigd omdat niet aannemelijk was gemaakt dat kosten waren gemaakt. Het hoger beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond.
Uitkomst: Het hof bevestigt de aanslag 2016, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en vernietigt de proceskostenvergoeding voor beroepsmatige rechtsbijstand.