Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
11 februari 2025.
Hoge Raad
De verdachte kreeg op grond van verdenking van huiselijk geweld een tijdelijk huisverbod opgelegd met betrekking tot de woning aan de a-straat 1. Dit huisverbod verbood hem de woning te betreden, zich daarin of in de nabijheid daarvan op te houden, en contact op te nemen met de aangeefster en haar kind.
Het hof stelde vast dat de verdachte zich op 14 mei 2020 in de woning aan de a-straat 2 bevond, de andere helft van een twee-onder-een-kapwoning waarvan de woning aan de a-straat 1 het andere deel vormt. Hierdoor bevond hij zich in de nabijheid van de woning waarop het huisverbod rustte, hetgeen verboden was.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'zich ophouden in nabijheid van' in de tenlastelegging gelijk moet worden gesteld aan 'zich ophouden bij' zoals bedoeld in artikel 11 van Pro de Wet tijdelijk huisverbod en de wetsgeschiedenis. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onjuist was en verwierp het cassatieberoep.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen aanleiding gaf tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf van twintig uren.
Het beroep in cassatie werd verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het overtreden van het tijdelijk huisverbod.