ECLI:NL:PHR:2024:1247

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2024
Publicatiedatum
19 november 2024
Zaaknummer
22/03006
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WthArt. 2 WthArt. 9 WthArt. 11 WthArt. 344 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitleg huisverbod bij twee-onder-een-kapwoning en verwerpt cassatie

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens overtreding van een huisverbod dat gold voor een woning aan de [a-straat 1]. Hij bevond zich op het moment van aanhouding in de andere helft van een twee-onder-een-kapwoning, gelegen aan [a-straat 2]. Het hof oordeelde dat dit verblijf onder het verbod viel omdat het huisverbod zich uitstrekt tot de nabijheid van de woning.

De verdachte stelde in cassatie dat het hof de term 'zich ophouden bij' onjuist heeft geïnterpreteerd en dat hij niet bewust het huisverbod heeft overtreden omdat hij dacht dat verblijf in de andere woning was toegestaan. De advocaat van de verdachte had een onvolledige volmacht ingediend, maar de Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ontvankelijk.

De Procureur-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. Hij benadrukte dat de wetsgeschiedenis en ratio van de Wet tijdelijk huisverbod duidelijk maken dat het verbod zich uitstrekt tot de directe omgeving van de woning, waaronder de andere helft van een twee-onder-een-kapwoning valt.

De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard het huisverbod te overtreden. Daarmee werd het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; verblijf in andere helft twee-onder-een-kapwoning valt onder huisverbod.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03006
Zitting3 december 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden wegens onder 2 “handelen in strijd met het huisverbod” veroordeeld tot een taakstraf van twintig uren (subsidiair tien dagen hechtenis), waarvan tien uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof de door de rechtbank opgelegde straf ten aanzien van feit 3, welk feit niet aan het oordeel van het hof was onderworpen, op grond van art. 423 lid 4 Sv Pro bepaald op veertig uren taakstraf (subsidiair twintig dagen hechtenis), waarvan twintig uren, met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.J. Tieman, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Voordat ik het middel bespreek, stel ik de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde.
2.2
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een “akte cassatie”, die vermeldt dat op 10 augustus 2022 cassatieberoep is ingesteld door de in die akte genoemde ambtenaar van het hof en “blijkens de aan deze akte gehechte bijzondere volmacht” schriftelijk gemachtigde is van de verdachte om beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof van 28 juli 2022.
2.3
Aan deze cassatieakte is een e-mailbericht gehecht van 10 augustus 2022, dat door N.R. Coffi aan de strafgriffie van het hof is verzonden. Dat bericht houdt het volgende in:
“Edelgrootachtbare,
[verdachte] heeft mij bepaaldelijk gevolmachtigd om cassatie in te stellen tegen het arrest van uw gerechtshof van 28 juli 2022 in bovengenoemde kwestie. Ik verzoek u dit cassatieberoep in te (doen) stellen. Daartoe verleen ik hierbij een bijzondere volmacht aan uw griffier. De afbeelding in het onderschrift bij deze e-mail bevat daartoe mijn handtekening. Voor een afschrift van de verdere correspondentie kan mijn kantooradres worden benut. Een afschrift van de akte instellen cassatie zie ik graag op dit e-mailadres tegemoet.
Bij voorbaat dank & hoogachtend,
[x]
N.R. (Nigel) Coffi”
2.4
Op de plek waar “[x]” in het hierboven weergegeven citaat staat, had – gelet op de inhoud van het e-mailbericht – kennelijk een afbeelding van de handtekening moeten staan, maar die staat er niet. De afbeelding is klaarblijkelijk niet goed ingeladen, waardoor er slechts een omlijnd kader te zien is met een “x” erin.
2.5
Art. 450 lid 1 en Pro 3 Sv luidt:
“1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:
a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;
b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd.
[…]
3. Aan een schriftelijke bijzondere volmacht, verleend aan een medewerker ter griffie, tot het voor de verdachte aanwenden van het rechtsmiddel wordt slechts gevolg gegeven indien de verdachte daarbij instemt met het door deze medewerker ter griffie van het gerecht waar het rechtsmiddel wordt ingesteld voor de verdachte aanstonds in ontvangst nemen van de oproeping. De verdachte geeft een adres op voor de ontvangst van een afschrift van de dagvaarding.”
2.6
In zijn arrest van 22 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810, accepteerde de Hoge Raad voor het eerst dat een door de verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat op de wijze van art. 450 lid 3 Sv Pro cassatieberoep kan instellen door middel van het verlenen van een daartoe strekkende schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker. [1] Hoewel de Hoge Raad in HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654, nog leek te vereisen dat zo’n volmacht aan de griffiemedewerker moest worden gegeven in een als bijlage bij een e-mail gevoegde brief, is inmiddels vaste jurisprudentie dat ook een e-mail zelf (dus zonder bijlage) als een schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450 lid 3 Sv Pro tot het instellen van beroep in cassatie kan worden aangemerkt. [2] Deze e-mail moet daarvoor wel zelf een volmacht bevatten waarin de advocaat verklaart dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep en de volmacht moet bovendien voorzien zijn van een ondertekening door de advocaat. [3]
2.7
De hierboven weergegeven e-mail van de advocaat houdt wel in dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep in cassatie, maar bevat – zoals ik hiervoor al opmerkte – geen ondertekening door de advocaat.
2.8
Deze onvolkomenheid in de volmacht leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkverklaring in het cassatieberoep, omdat in de onderhavige zaak sprake is van een geval waarin namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door een advocaat die verklaart daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. [4] Gelet op die omstandigheid kan de verdachte in zijn cassatie beroep worden ontvangen.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het ‘handelen in strijd met het huisverbod’ en richt zich in het bijzonder tegen de interpretatie van het hof van de reikwijdte van de term ‘verblijven in de nabijheid van’ c.q. ‘zich ophouden bij’ in het kader van een huisverbod en daarnaast tegen het oordeel van het hof over het besef dat verzoeker daarvan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid had moeten hebben.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij, als degene aan wie door of namens de burgemeester met toepassing van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod was gegeven, derhalve als uithuisgeplaatste, op 14 mei 2020 te [plaats] , gemeente [plaats] , zich in strijd met dat huisverbod in nabijheid van de in dit verbod genoemde woning, gelegen aan de [a-straat 1] , heeft opgehouden.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest:
“1. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (opgenomen op pagina 39 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland, proces-verbaalnummer: PL0100-2020135884 d.d. 25 mei 2020), te weten een beschikking van de burgermeester, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:
De burgemeester van de gemeente [plaats] , gelast [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] de woning gelegen aan:
[a-straat 1]
[postcode] [plaats]
onmiddellijk te verlaten en deze woning vanaf heden
14/05/2020 16:10 voor een periode van tien dagen, derhalve tot 24/05/2020 16:10
niet te betreden, noch daarin aanwezig te zijn of zich daarbij op te houden. Gedurende deze periode mag voornoemde persoon geen contact opnemen met de hierna genoemde personen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.
Gegevens uithuisgeplaatste
Geboorte-achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1970
Namen van degene(n) waarop het contactverbod van toepassing is:
(Geboorte-)achternaam
Voornamen
Geboortedatum
Relatie tot uithuisgeplaatste
[aangeefster]
[aangeefster]
[geboortedatum] 1970
echtgenote
[betrokkene 1]
[betrokkene 1]
[geboortedatum] 2013
kind
2. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte, d.d. 14 mei 2020 (opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van
verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 14 met 2020, omstreeks 20.40 uur, kregen wij het verzoek van een centralist van het operationeel centrum te Drachten te gaan naar de [a-straat 1] te [plaats] in verband met het overtreden van een huisverbod.
Wij zagen in het meldingenscherm dat het huisverbod geldt voor [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] .
Wij liepen naar [a-straat 2] te [plaats] en zagen dat dit een twee-onder-een-kap woning betreft samen met [a-straat 1] . Wij klopten op de deur en zagen dat een man de deur opende, betreffende [verdachte] . Wij vertelden de verdachte [verdachte] dat hij is aangehouden betreffende overtreding van het huisverbod.
3. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2020 (opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van
verbalisant [verbalisant 2]:
Op 14 mei 2020 was ik in uniform gekleed aanwezig aan het bureau van politie te Winschoten. Op verzoek van de meldkamer heb ik de voordeur van het bureau geopend omdat er iemand stond die wat wilde weten. Het was rond 19.30 uur die dag.
Nadat ik de voordeur had geopend bleek [verdachte] zich te melden. [verdachte] vertelde dat hij door de politie aangehouden was geweest en een huisverbod had gekregen.
In eerste instantie verklaarde [verdachte] de nacht door te willen brengen in zijn auto, maar vervolgens verklaarde hij dat hij wel naar de [a-straat 2] te [plaats] kon gaan om daar te slapen. Want het huisverbod stond op [a-straat 1] . Hierop heeft [verdachte] het huisverbod uit zijn auto gehaald en aan ons laten lezen. Hierop stond inderdaad vermeld dat het huisverbod gold voor het pand [a-straat 1] te [plaats] . Hierop hebben wij een gesprek gehad over het wel of niet kunnen slapen in [a-straat 2] . Hem uitgelegd dat hij bij een huisverbod in het geheel geen contact mag opnemen met de andere partij, in dit geval zijn partner. Mocht er contact zijn dan zou hij een probleem hebben want dan zou het huisverbod overtreden worden. Er is hem dan ook geadviseerd niet naar de [a-straat 2] te gaan om zo in ieder geval niet het risico te lopen toch het huisverbod te overtreden, maar op een andere plek onderdak te zoeken.
4. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 mei 2020 (opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van
verdachte:
O: De verdachte wordt twee afbeeldingen getoond welke als bijlage bij dit proces-verbaal van verhoor wordt gevoegd.
V: Het klopt dat deze berichten van u afkomstig zijn?
A: Ja.
5. Het als bijlage bij het onder 4 genoemde proces-verbaal van verhoor verdachte gevoegde schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten sms-berichten:
Donderdag 14 mei 2020
Bedankt woon nu in de auto (18:01 uur)
Kan nergens heen heb helemaal niemand (18:20 uur)
Mag ik dat stretchbed? (20:41 uur)”
3.4
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“Het hof is van oordeel dat hetgeen verdachte onder 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen is. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat er een huisverbod aan verdachte is uitgevaardigd inhoudende dat hij de woning gelegen aan de [a-straat 1] niet mag betreden, hij niet aanwezig mag zijn in de betreffende woning en hij zich niet in de nabijheid daarvan mag ophouden. Ook houdt het huisverbod in dat hij geen contact mag opnemen met aangeefster of haar kind, tevens kind van verdachte. Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat verdachte, op het moment van contacteren van aangeefster, wist dat hij geen contact met haar mocht opnemen. Het hof stelt vast dat uit het dossier in ieder geval blijkt dat verdachte wel wist van de inhoud van het huisverbod voor zover inhoudende dat hij zich niet in of in de nabijheid van de woning gelegen aan de [a-straat 1] mag ophouden. Een en ander blijkt meer specifiek uit de berichtenwisseling tussen verdachte en aangeefster zoals in het dossier opgenomen. Tevens blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2020 dat hij met het huisverbod naar de politie is geweest met de vraag of hij wel in de woning aan de [a-straat 2] zou mogen slapen. De politie heeft hem geadviseerd dit niet te doen, om in ieder geval te voorkomen dat hij in contact zou komen met aangeefster. Uit het dossier blijkt verder dat verdachte zich, ondanks zijn kennis van (de inhoud van) het huisverbod, toch in de nabijheid van de woning aan de [a-straat 1] heeft opgehouden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 14 mei 2020 komt namelijk naar voren dat verdachte zich in de woning aan de [a-straat 2] bevond op het moment van aanhouding. De woning aan de [a-straat 2] betreft de helft van een twee-onder-een-kapwoning. De andere helft hiervan betreft de woning aan de [a-straat 1] , waar het huisverbod op rust. Door zich in de woning aan de [a-straat 2] te bevinden heeft verdachte zich tevens in nabijheid van de woning aan de [a-straat 1] bevonden, hetgeen hem door het huisverbod, zoals hierboven al genoemd, niet was toegestaan. Zodoende heeft verdachte het huisverbod overtreden.”
3.5
In deze zaak wordt de verdachte verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met een huisverbod. Het huisverbod is een bestuursrechtelijke maatregel die door de burgemeester kan worden opgelegd en is geregeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en het bijbehorende Besluit tijdelijk huisverbod. [5] De volgende bepalingen uit de genoemde wet zijn van belang.
- Art. 1 Wth Pro:
“In deze wet wordt verstaan onder:
[…]
b. huisverbod: beschikking houdende een last tot het onmiddellijk verlaten van een bepaalde woning en een verbod tot het betreden van, zich ophouden bij of aanwezig zijn in die woning en een verbod om contact op te nemen met degenen die met de persoon tot wie de beschikking is gericht in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven;
c. uithuisgeplaatste: degene aan wie een huisverbod is opgelegd.”
- Art. 2 Wth Pro:
“1. De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.
[…]
4. Het huisverbod bevat in ieder geval:
a. een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt;
b. de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en
c. de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt.
- Art. 9 Wth Pro:
“1. De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.”
- Art. 11 Wth Pro:
“1. De uithuisgeplaatste die handelt in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, of artikel 9, eerste lid, gegeven huisverbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.”
3.6
In een van de weinige zaken in cassatie waarin de Wet tijdelijk huisverbod een rol speelde, merkte mijn voormalig ambtgenoot Knigge het volgende op over de achtergrond en inhoud ervan (met overneming van voetnoten):
“3.6. De Wet tijdelijk huisverbod trad in werking op 1 januari 2009. Sindsdien heeft de burgemeester de bevoegdheid om aan personen van wie een ernstige en onmiddellijke dreiging van huiselijk geweld uitgaat een huisverbod op te leggen. Dit huisverbod houdt tevens een contactverbod in. De invoering van de maatregel werd destijds noodzakelijk geacht in situaties van dreigend huiselijk geweld waarin (nog) geen strafbaar feit is gepleegd, waardoor het voor de opsporingsautoriteiten lastig interveniëren is. [6] In die zin vormt het bestuurlijk huisverbod een aanvulling op de in het strafrecht bestaande mogelijkheden tot het opleggen van een huisverbod, bijvoorbeeld als (bijzondere) voorwaarde bij een sepot of voorwaardelijke veroordeling. [7] Daarnaast werd de invoering van het bestuurlijke huisverbod noodzakelijk geacht vanwege de lage(re) aangiftebereidheid van slachtoffers van huiselijk geweld. [8] Blijkens de toelichting op de wet strekt een huisverbod hoofdzakelijk ter voorkoming van toekomstig huiselijk geweld doordat dadelijk kan worden ingegrepen en aldus het risico op escalatie wordt verkleind. [9] Daarnaast is het bestuurlijk huisverbod (mede) gericht op hulpverlening aan de (potentiële) slachtoffers en de uithuisgeplaatste. [10] Als de dreiging geweken of verminderd is, ontvalt aan het huisverbod de grond. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de uithuisgeplaatste het hulpaanbod aanvaardt.
3.7.
Een beschikking tot tijdelijk huisverbod wordt door de burgemeester opgelegd aan een meerderjarig persoon (art. 2 lid 2 Wth Pro) voor de duur van 10 dagen (art. 2 lid 1 Wth Pro). De burgemeester kan zijn bevoegdheid mandateren aan de hulpofficier van justitie (art. 3 Wth Pro). Blijkens art. 2 van Pro het Besluit tijdelijk huisverbod dient de beslissing tot het opleggen van een huisverbod tot stand te komen op grond van een risicotaxatie, waarin uitsluitend de in de bijlage bij dat Besluit opgesomde feiten en omstandigheden mogen worden betrokken. Deze feiten en omstandigheden zien op de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen en de context waarin de (dreiging van) huiselijk geweld plaatsvond. Indien bij één of meer risico-indicatoren wordt geoordeeld dat er sprake is van een hoog risico ligt het in de rede dat een huisverbod wordt opgelegd, aldus de Nota van Toelichting bij het Besluit. [11] Op de beschikking tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod zijn de bepalingen uit de Awb van toepassing. Van belang is art. 4:8 Awb Pro, dat meebrengt dat zowel degene te wiens aanzien het huisverbod zal worden opgelegd, als de personen met wie deze samenwoont, moet worden gehoord. [12] Hierin ligt besloten dat een belangenafweging plaatsvindt tussen de belangen van de potentieel uithuisgeplaatste en de personen waarmee deze samenleeft. Het huisverbod kan tot ten hoogste vier weken worden verlengd (art. 9 Wth Pro), maar ook worden ingetrokken (art. 2 lid 9 Wth Pro). Tegen het huisverbod kan krachtens art. 6 Wth Pro door de uithuisgeplaatste een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan, als bedoeld in art. 8:81 Awb Pro. De verdachte wordt naar aanleiding van dit verzoek binnen drie dagen door de voorzieningenrechter gehoord. De voorzieningenrechter toetst het huisverbod
ex nunc. Gedurende de procedure kan de uithuisgeplaatste zich laten bijstaan door een raadsman. Overtreding van het huisverbod is ingevolge art. 11 Wth Pro een misdrijf, waarop maximaal twee jaar gevangenisstraf kan worden opgelegd, of een geldboete van de vierde categorie.” [13]
3.7
In de toelichting op het middel wordt ten eerste geklaagd over de interpretatie van de in het huisverbod voorkomende zinsnede “zich daarbij op te houden”. Het hof heeft deze zinsnede uitgelegd als “zich bevinden in de nabijheid van” en de steller van het middel meent dat het hof ten onrechte niets heeft overwogen over de betekenis die het aan de term “nabijheid” heeft toegekend.
3.8
Het in art. 1 onder Pro b Wth gedefinieerde huisverbod houdt onder meer een verbod in tot het “zich ophouden bij” de in de beschikking bedoelde woning. In de wetsgeschiedenis is aandacht geweest voor de reikwijdte van dit verbod. In de memorie van toelichting daarover het volgende opgemerkt:
“Onder b wordt een definitie van het begrip «huisverbod» gegeven. In de definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat nadat het huisverbod is opgelegd, de uithuisgeplaatste onmiddellijk zijn woning dient te verlaten en dat hij zijn woning gedurende de periode dat het huisverbod van kracht is, niet mag betreden. Ook mag hij zich niet ophouden bij de woning of aanwezig zijn in de woning. Woning omvat het huis, het appartement of andere woonruimte, zoals een woonboot. Daarnaast mag de uithuisgeplaatste zich ook niet ophouden bij de woning; daarmee ziet het huisverbod ook op de directe omgeving van de woning, zoals de tuin, het trappenhuis en de gemeenschappelijke ruimten in bijvoorbeeld een appartementencomplex. In de beschikking zal de plaats waarvoor het huisverbod geldt, worden opgenomen (artikel 2, vierde lid) zodat het voor de uithuisgeplaatste duidelijk is tot waar het huisverbod zich uitstrekt.” [14]
3.9
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is door de leden van de ChristenUnie-fractie om een nadere definiëring gevraagd van de term “ophouden bij”. De toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin antwoordde daarop als volgt:
“Met «ophouden bij» wordt bedoeld dat de uithuisgeplaatste in de directe omgeving van de woning verblijft, zoals de straat of het gedeelte van de straat waar de woning zich bevindt.” [15]
3.1
Gelet op de hiervoor weergegeven achtergrond en ratio van het huisverbod, is deze reikwijdte van de term “ophouden bij” naar mijn oordeel goed verdedigbaar. Net zoals op dezelfde grond bijvoorbeeld ook goed te begrijpen is dat het huisverbod mede een contactverbod omvat. [16] De bedoeling van het huisverbod is immers – in mijn woorden – dat de relatie tussen de uithuisgeplaatste en de betreffende woning, alsmede de daarin verblijvende personen, kortstondig wordt verbroken om zo een directe dreiging van huiselijk geweld weg te nemen. [17] Bij die bedoeling past volgens mij goed dat het huisverbod zich ook uitstrekt tot de directe omgeving van de woning.
3.11
In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat het aan de verdachte uitgevaardigde huisverbod voor de woning aan de [a-straat 1] onder meer inhoudt dat “hij zich niet in de nabijheid daarvan mag ophouden”. Gelet op de wetsgeschiedenis die ik hiervoor heb aangehaald, geeft die uitleg van de term “ophouden bij” – zoals die in de beschikking houdende het huisverbod is opgenomen (bewijsmiddel 1) – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.12
Anders dan de steller van het middel meent, doet daaraan niet af dat het hof niets heeft overwogen over de betekenis die het aan de term “nabijheid” heeft toegekend. Uit de bewijsoverweging van het hof blijkt dat de verdachte zich ten tijde van zijn aanhouding bevond in de woning aan de [a-straat 2] , die samen met de woning aan de [a-straat 1] een twee-onder-een-kapwoning vormt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat de verdachte zich daarmee tevens “in de nabijheid van”, of – in de woorden van de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis – “in de directe omgeving van”, de woning aan de [a-straat 1] heeft bevonden. Aldus heeft het hof de term “nabijheid” in zoverre geconcretiseerd dat daaraan in ieder geval is voldaan als het huisverbod ziet op de ene helft van een twee-onder-een-kapwoning, terwijl de verdachte zich in de andere helft bevindt. Dat is een alleszins begrijpelijke uitleg van de term “nabijheid”. Dat het hof op grond hiervan heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich heeft opgehouden in nabijheid van de woning aan de [a-straat 1] , is daarmee evenmin onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.13
Ook voor zover de steller van het middel betoogt dat het hof een “belangenafweging bij de invulling van de criteria voor nabijheid” had moeten maken, deel ik zijn standpunt niet. Volgens hem had het hof, gezien het belang van de verdachte bij onderdak, “kunnen en moeten besluiten dat het criterium van verboden verblijf
in de nabijheid vande verboden woning ruimer uitgelegd kon worden zodat verblijf van verzoeker op nr. 1 in de gegeven omstandigheden geoorloofd geacht kon worden”. De vraag of de verdachte zich in de nabijheid van de betreffende woning heeft opgehouden, is in mijn ogen een vrij objectieve vraag die in ieder geval geheel losstaat van de belangen van de verdachte zelf. Het lijkt me dan ook een nogal vreemde manier van interpreteren om het begrip “nabijheid” afhankelijk te stellen van het belang van de verdachte bij onderdak, hetgeen daar volkomen los van staat. Bovendien, voor zover er sprake moet zijn van een belangenafweging, volgt uit het systeem van de Wet tijdelijk huisverbod wat mij betreft dat die verantwoordelijkheid primair bij de burgemeester ligt als uitvaardigende autoriteit, en secundair bij de voorzieningenrechter naar aanleiding van een tegen het huisverbod gedaan verzoek tot voorlopige voorziening als bedoeld in art. 8:81 Awb Pro. En zeker niet bij de strafrechter in het kader van de vraag bewezen kan worden dat de verdachte zich in de nabijheid van de betreffende woning heeft opgehouden.
3.14
Voor zover het middel klaagt over de interpretatie van de term ‘zich ophouden bij’, faalt het.
3.15
Ten tweede wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de verdachte er in de gegeven omstandigheden van kon en mocht uitgaan dat het hem toegestaan was om op [a-straat 2] te verblijven.
3.16
Het hof heeft op grond van het dossier vastgesteld dat de verdachte wist van de inhoud van het huisverbod, voor zover inhoudende dat hij zich niet in of in de nabijheid van de woning aan de [a-straat 1] mag ophouden. Zoals ik hiervoor onder 3.12 al heb besproken, heeft het hof vervolgens vastgesteld dat de verdachte zich, ondanks zijn kennis van (de inhoud van) het huisverbod, toch in de nabijheid van [a-straat 1] opgehouden doordat hij zich ten tijde van zijn aanhouding bevond op de [a-straat 2] .
3.17
De steller van het middel betoogt echter dat het voor de verdachte niet duidelijk is geweest dat het verblijf op [a-straat 2] gezien moest worden als ‘zich ophouden bij’ [a-straat 1] en stelt zich op het standpunt hij het huisverbod daarom niet bewust of opzettelijk heeft overtreden. In dat verband wordt een beroep gedaan op een gesprek dat hij met de politie heeft gevoerd over de vraag of het aan hem opgelegde huisverbod zich ook uitstrekte tot de woning aan [a-straat 2] .
3.18
Het proces-verbaal van dat gesprek heeft het hof als bewijsmiddel 3 gebruikt. Voor de leesbaarheid van deze conclusie citeer ik dat bewijsmiddel hier opnieuw:
“3. Een in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2020 (opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van
verbalisant [verbalisant 2]:
Op 14 mei 2020 was ik in uniform gekleed aanwezig aan het bureau van politie te Winschoten. Op verzoek van de meldkamer heb ik de voordeur van het bureau geopend omdat er iemand stond die wat wilde weten. Het was rond 19.30 uur die dag.
Nadat ik de voordeur had geopend bleek [verdachte] zich te melden. [verdachte] vertelde dat hij door de politie aangehouden was geweest en een huisverbod had gekregen.
In eerste instantie verklaarde [verdachte] de nacht door te willen brengen in zijn auto, maar vervolgens verklaarde hij dat hij wel naar de [a-straat 2] te [plaats] kon gaan om daar te slapen. Want het huisverbod stond op [a-straat 1] . Hierop heeft [verdachte] het huisverbod uit zijn auto gehaald en aan ons laten lezen. Hierop stond inderdaad vermeld dat het huisverbod gold voor het pand [a-straat 1] te [plaats] . Hierop hebben wij een gesprek gehad over het wel of niet kunnen slapen in [a-straat 2] . Hem uitgelegd dat hij bij een huisverbod in het geheel geen contact mag opnemen met de andere partij, in dit geval zijn partner. Mocht er contact zijn dan zou hij een probleem hebben want dan zou het huisverbod overtreden worden. Er is hem dan ook geadviseerd niet naar de [a-straat 2] te gaan om zo in ieder geval niet het risico te lopen toch het huisverbod te overtreden, maar op een andere plek onderdak te zoeken.”
3.19
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging over dit gesprek overwogen dat de verdachte op 14 mei 2020 inderdaad naar de politie is geweest met de vraag of hij wel in de woning aan de [a-straat 2] zou mogen slapen en dat de politie hem daarop heeft geadviseerd dit niet te doen, om in ieder geval te voorkomen dat hij in contact zou komen met de aangeefster.
3.2
Gelet hierop meen ik dat de klacht faalt. Uit het feit dat de verdachte wist van de inhoud van het huisverbod en vervolgens naar de politie is gegaan om te vragen of hij wel op de [a-straat 2] mocht blijven slapen, kan al worden afgeleid dat de verdachte er kennelijk zelf ook niet van overtuigd was dat dit buiten de reikwijdte van het huisverbod viel. De politie heeft hem vervolgens geadviseerd om niet naar de [a-straat ] te gaan. Dat heeft de verdachte daarna toch gedaan, ondanks zijn kennis van de inhoud van het huisverbod en het negatieve advies van de politie. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft het hof kennelijk geoordeeld en – naar mijn oordeel – ook kunnen oordelen dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij in strijd met het huisverbod zou handelen als hij naar de [a-straat 2] zou gaan.
3.21
De conclusie is dan ook dat het middel faalt. Nu er nauwelijks rechtspraak is over hoe de term “ophouden bij” in de zin van art. 1 Wth Pro moet worden geïnterpreteerd en het wellicht goed is voor de praktijk als de Hoge Raad hieraan een overweging wijdt, adviseer ik geen afdoening op de grond van art. 81 lid 1 RO Pro.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7810,
2.HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1568, rov. 2.4.2.
3.HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:909, rov. 2.3 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91, rov. 2.3.2. Vgl. ook HR 1 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1568.
4.HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:91.
5.Zie respectievelijk
6.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1.
7.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 6.
8.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1-2.
9.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 1-3, 6-7 en 19.
10.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 3 en 19.
11.Stb. 2008, 422, p. 7.
12.Kamerstukken II 2005-2006, 30 657, nr. 3, p. 19.
13.Zie ECLI:NL:PHR:2017:1305, voorafgaand aan HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3062,
16.Zie over het contactverbod nader
17.Vgl.