ECLI:NL:HR:2025:1949

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/04390
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heffing van griffierecht in cassatie en samenhang tussen procedures

In deze zaak heeft belanghebbende, aangeduid als [X], beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, met nummer 21/01634. Dit hoger beroep volgde op een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/6634) die betrekking had op een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2016. De Hoge Raad heeft zich gebogen over de vraag of de heffing van griffierecht in cassatie voor twee procedures, die door dezelfde belanghebbende zijn ingesteld, kan worden beperkt op basis van artikel 8:41, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Belanghebbende stelde dat er sprake was van samenhang tussen de twee zaken, waardoor slechts eenmaal griffierecht verschuldigd zou zijn. De Hoge Raad oordeelde echter dat voor een beperking van het griffierecht vereist is dat de zaken niet alleen inhoudelijk maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door middel van één beroepschrift. Aangezien aan deze vereisten niet was voldaan, zag de Hoge Raad geen aanleiding om het betaalde griffierecht terug te betalen.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende over de uitspraak van het Hof beoordeeld en kwam tot de conclusie dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk zonder verdere motivering, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04390
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023, nr. 21/01634, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 19/6634) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2016.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.De heffing van griffierecht in cassatie

2.1
Van belanghebbende is door de griffier van de Hoge Raad griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie. Van belanghebbende is door de griffier eveneens griffierecht geheven voor de behandeling van het beroep in cassatie met zaaknummer 23/04392. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd vanwege de volgens belanghebbende aanwezige samenhang tussen beide zaken.
2.2
Voor een beperking van het voor de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigde griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken niet alleen wat betreft de inhoud maar ook in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie zijn ingesteld door dezelfde belanghebbende door middel van één beroepschrift in cassatie. [1] Aan deze vereisten is niet voldaan. De Hoge Raad ziet dan ook geen aanleiding de griffier op te dragen het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep in cassatie van een van beide zaken, aan belanghebbende terug te betalen.

3.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Voetnoten

1.HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:560, rechtsoverwegingen 3.3.4 en 3.3.5.