Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
7 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland inzake een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De burgemeester had een crisismaatregel genomen en de rechtbank verleende een machtiging voor voortzetting van zorg, maar stelde dat een actuele medische verklaring ontbrak.
De rechtbank verleende op 17 juni 2024 een machtiging tot 28 juni 2024, ondanks het ontbreken van een actuele medische verklaring en het feit dat betrokkene niet was verschenen op de zitting. De rechtbank achtte een nieuwe medische verklaring noodzakelijk en hield het verzoek voor het overige aan.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de Wvggz en het EVRM geen zorgmachtiging mag worden verleend zonder een medische verklaring die voldoet aan de wettelijke eisen. Omdat de rechtbank zelf had vastgesteld dat een actuele medische verklaring ontbrak, had zij geen machtiging mogen verlenen. De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van 17 juni 2024 en wees het geding terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Het cassatieberoep tegen de beschikking van 27 juni 2024 werd verworpen. De uitspraak benadrukt het belang van een actuele medische verklaring bij het verlenen van zorgmachtigingen en de noodzaak van zorgvuldige toetsing door de rechter.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de zorgmachtiging van 17 juni 2024 wegens ontbreken van een actuele medische verklaring en wijst het geding terug naar de rechtbank.