Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek om een aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank Midden-Nederland verleende op 3 januari 2024 een zorgmachtiging voor één maand, ondanks dat de medische verklaring was opgesteld zonder dat betrokkene was onderzocht. De rechtbank hield de beslissing voor het overige aan in afwachting van een nieuwe medische verklaring.
Na ontvangst van een nieuwe medische verklaring verleende de rechtbank op 29 januari 2024 een zorgmachtiging voor de resterende periode tot 3 januari 2025. Betrokkene stelde cassatie in tegen de beschikking van 3 januari 2024, stellende dat de zorgmachtiging niet had mogen worden verleend vanwege het gebrek aan een geldige medische verklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van het systeem van de Wvggz en relevante wetsartikelen geen zorgmachtiging mag worden verleend indien de medische verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen, ook niet gedeeltelijk met aanhouding voor het overige. Daardoor vernietigt de Hoge Raad de beschikking van 3 januari 2024 en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing. De zorgmachtiging van 29 januari 2024 blijft in stand omdat deze aansluit op de eerdere geldige machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de zorgmachtiging van 3 januari 2024 wegens een niet geldige medische verklaring en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.