ECLI:NL:HR:2025:1951
Hoge Raad
- Artikel 80a RO-zaken
- Rechtspraak.nl
Heffing van griffierecht in cassatie en samenhang tussen procedures
In deze zaak heeft belanghebbende, aangeduid als [X], beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 september 2023. Deze uitspraak betrof het hoger beroep van belanghebbende tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Amsterdam met betrekking tot beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018. Belanghebbende heeft in cassatie betoogd dat er slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is, omdat er volgens hem sprake is van samenhang tussen twee procedures, die beide door hem zijn aangespannen.
De Hoge Raad heeft de argumenten van belanghebbende beoordeeld en vastgesteld dat voor een beperking van het griffierecht op grond van artikel 8:41, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist is dat de zaken niet alleen inhoudelijk maar ook in tijd samenhangen. De Hoge Raad concludeert dat aan deze vereisten niet is voldaan, aangezien de beroepen in cassatie niet door middel van één beroepschrift zijn ingesteld. Daarom ziet de Hoge Raad geen aanleiding om het door belanghebbende betaalde griffierecht voor een van beide zaken terug te betalen.
De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. De Hoge Raad heeft daarom besloten het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren, zoals toegestaan onder artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest is uitgesproken op 19 december 2025 door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.