Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.C. Gerverdinck, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
Artikel 15ah, lid 2, aanhef en letter a, van de Wet bepaalt dat ingeval in enig jaar door een maatschappij (overnemer) een vermogensbestanddeel is verkregen van een andere maatschappij (overdrager) die tot de fiscale eenheid behoort, bij het bepalen van de aan de overnemer toe te rekenen winst, de afschrijving op het overgedragen vermogensbestanddeel wordt berekend op basis van de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overdracht.
Noch een vergelijking met andere regelingen die zien op verliesverrekening na een juridische fusie of voeging in een fiscale eenheid, noch het systeem van de Wet met betrekking tot winstsplitsing, noopt daartoe.
Met betrekking tot een met ingang van haar oprichting gevoegde dochtermaatschappij bevat artikel 5, lid 4, van het Besluit volgens de toelichting op deze bepaling een tegemoetkoming voor de verrekening van voorvoegingsverliezen van de oprichtende maatschappij(en). Deze tegemoetkoming maakt het mogelijk dat, indien in volgende jaren op grond van artikel 15ae, lid 1, van de Wet winstsplitsing dient plaats te vinden, voorvoegingsverliezen van de oprichtende maatschappij(en) worden verrekend met winsten van de nieuw opgerichte dochtermaatschappij en vice versa. [5] Aan de toerekening van die winsten aan de oprichtende maatschappij(en) stelt artikel 5, lid 4, van het Besluit geen beperking of voorwaarde.
Daarbij komt dat elk van de hiervoor genoemde bepalingen haar eigen achtergrond en ratio kent. De omstandigheid dat de uitkomst van de toepassing van het samenstel van die bepalingen bij een grammaticale uitleg op gespannen voet staat met doel en strekking van een of meer van die bepalingen als zij op zichzelf worden beschouwd, kan niet rechtvaardigen dat aan dit samenstel van bepalingen een andere uitleg wordt gegeven. [6] Het Hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat de door belanghebbende binnen dit samenstel van bepalingen gerealiseerde besparing niet leidt tot strijd met doel en strekking van de Wet.