ECLI:NL:HR:2021:884
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Verrekening houdsterverlies met winst nieuwe fiscale eenheid toegestaan
Belanghebbende, een moedermaatschappij die in 2010 een houdsterverlies leed, richtte in 2015 een dochtermaatschappij op waarmee zij een fiscale eenheid vormde. Voor het jaar 2016 deed zij aangifte met een geconsolideerde winst, waarbij het houdsterverlies van 2010 werd verrekend. De Inspecteur weigerde deze verrekening, waarop de Rechtbank Den Haag oordeelde dat houdsterverliezen alleen met houdsterwinsten verrekend mogen worden en dat de winst van de dochter geen houdsterwinst was.
De Hoge Raad stelde vast dat de wettelijke bepalingen van artikel 20 lid Pro 4, artikel 15ae lid 3 van de Wet Vpb en artikel 5 lid 4 van Pro het Besluit fiscale eenheid duidelijk maken dat het houdsterverlies van de moedermaatschappij wel degelijk verrekend kan worden met de winst van de fiscale eenheid, ook als die winst op grond van het Besluit wordt toegerekend aan de moeder. De rechtbank had ten onrechte doel en strekking van de regeling laten prevaleren boven de grammaticale tekst van de wet.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, stelde de aanslag vennootschapsbelasting voor 2016 vast op nihil, en veroordeelde de Staatssecretaris en Inspecteur in de proceskosten. Hiermee is bevestigd dat houdsterverliezen ook in fiscale eenheden verrekenbaar zijn met winsten van nieuw gevormde dochtermaatschappijen.
Uitkomst: Het houdsterverlies van de moedermaatschappij mag verrekend worden met de winst van de nieuwe fiscale eenheid over 2016.