ECLI:NL:HR:2025:1960

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/03961
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over renteaftrek en fraus legis in vennootschapsbelasting bij private-equitystructuren

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de aftrekbaarheid van rente in het kader van de vennootschapsbelasting. De zaak betreft [X] B.V. die in cassatie ging tegen de Staatssecretaris van Financiën, na een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad oordeelde dat een deel van de rente op een aandeelhouderslening niet aftrekbaar is, omdat deze lening als onzakelijk wordt aangemerkt. Dit oordeel is gebaseerd op eerdere arresten van de Hoge Raad, waarin is vastgesteld dat de aftrekbaarheid van rente kan worden geweigerd op grond van fraus legis, indien de rechtshandelingen zijn gericht op het verijdelen van vennootschapsbelasting. Het Hof had geoordeeld dat de resterende rente, na verzakelijking, niet in aftrek kan worden gebracht omdat deze strijdig is met de doel en strekking van de Wet op de vennootschapsbelasting. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, maar oordeelde ook dat een deel van de rente, dat is aangewend voor herfinanciering van bestaande schulden, wel aftrekbaar is. De uitspraak benadrukt de noodzaak om bij complexe private-equitystructuren zorgvuldig te kijken naar de fiscale gevolgen van leningen en de intenties achter de structuren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/03961
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 augustus 2023, nr. BK-22/00763 [1] , betreffende de aan belanghebbende voor het boekjaar 2010/2011 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1086, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 mei 2020, nr. 18/00727 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

2.1
Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door O.C.R. Marres, als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 16 februari 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van beide beroepen in cassatie. [3] Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Uitgangspunten in cassatie

3.1.1
Belanghebbende is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst voor de jaren 2010 en 2011; hierna: de Wet). De fiscale eenheid bestaat verder uit een dochtermaatschappij (hierna: de dochtermaatschappij). Het eerste boekjaar van belanghebbende liep van 27 juli 2010 tot en met 31 maart 2011.
3.1.2
Belanghebbende en de dochtermaatschappij zijn opgericht met het oog op de overname van de A-groep door twee investeringsfondsen (hierna: Fonds 1 en Fonds 2). Fonds 1 en Fonds 2 zijn in 2009 respectievelijk 2007 door een private-equityhuis (hierna: het private-equityhuis) opgerichte investeringsfondsen waarin private en institutionele beleggers uit de hele wereld deelnemen. Tot die overname werd de A-groep geheel gehouden door een ander private-equityfonds (hierna: Fonds 3).
3.1.3
Direct nadat de dochtermaatschappij in 2010 de tophoudstervennootschap van de A-groep (hierna: de A-tophoudster) had overgenomen, is de A-tophoudster samen met haar daarvoor in aanmerking komende dochtermaatschappijen gevoegd in de fiscale eenheid met belanghebbende.
3.2.1
Fonds 1 en Fonds 2 bestaan uit limited partnerships (hierna: de LP’s) die zijn gevestigd op de Kaaiman Eilanden. De LP’s worden voor Nederlandse fiscale doeleinden aangemerkt als niet-transparante samenwerkingsverbanden en zijn vergelijkbaar met Nederlandse open commanditaire vennootschappen. Investeerders in Fonds 1 en Fonds 2 nemen als commanditaire vennoten deel in de LP’s.
3.2.2
De onderhavige investering van Fonds 1 en Fonds 2 – de overname van de A-groep – is geschied via een daartoe door hen naar Luxemburgs recht opgerichte vennootschap (hierna: de moedervennootschap). De moedervennootschap is de enige aandeelhouder van belanghebbende. De tot Fonds 1 behorende LP’s houden gezamenlijk 34 procent van de aandelen in de moedervennootschap, en de tot Fonds 2 behorende LP’s gezamenlijk 15,8 procent daarvan.
3.2.3
Fonds 3, een groep zogenoemde co-investeerders en het management van de A-groep (hierna tezamen: de overige investeerders) nemen eveneens deel in het kapitaal van de moedervennootschap. Fonds 3 houdt middellijk 10,5 procent van de aandelen in de moedervennootschap. De co-investeerders zijn niet aan Fonds 1 of Fonds 2 gelieerde (institutionele) investeerders. Zij houden gezamenlijk 21,9 procent van de aandelen in de moedervennootschap. Het management van de A-groep houdt gezamenlijk 17,8 procent van de aandelen in de moedervennootschap.
3.3
De moedervennootschap heeft aan haar aandeelhouders voor ongeveer € 685.000.000 zogenoemde preferred equity certificates (hierna: PEC’s) uitgegeven, namelijk A-PEC’s voor een bedrag van € 49.000.000 en B-PEC’s voor een bedrag van ongeveer € 636.000.000. De PEC’s hebben een looptijd van tien jaar met een jaarlijkse rente van 13 procent op de A-PEC’s en van 15,156 procent op de B-PEC’s. Naar Luxemburgs civiel recht worden de PEC’s aangemerkt als vreemd vermogen. De LP’s houden gezamenlijk PEC’s voor een bedrag van ongeveer € 401.000.000 (circa 58,5 procent van het totale bedrag) en de overige investeerders gezamenlijk voor een bedrag van ongeveer € 284.000.000 (circa 41,5 procent van het totale bedrag).
3.4
Op 7 augustus 2010 is tussen Fonds 3 als verkoper en de dochtermaatschappij als koper een overeenkomst gesloten voor de koop en levering van alle aandelen in de A-tophoudster. De koopprijs bedroeg circa € 433.300.000. Met het oog op de overname van de A-groep heeft de moedervennootschap een bedrag van € 43.000.000 gestort op de aandelen in belanghebbende en voor een bedrag van ongeveer € 635.000.000 een geldlening aan belanghebbende verstrekt (hierna: de aandeelhouderslening). Terugbetaling van de aandeelhouderslening geschiedt uiterlijk na 10 jaar, of eerder op vrijwillige basis of op verzoek van de moedervennootschap. De rente op de aandeelhouderslening bedraagt 15,216 procent per jaar. Binnen de fiscale eenheid heeft belanghebbende het bedrag van € 43.000.000 gestort op de aandelen in de dochtermaatschappij en het bedrag van de aandeelhouderslening aan haar doorgeleend.
3.5
Op 15 oktober 2010 zijn de aandelen in de A-tophoudster geleverd aan de dochtermaatschappij. Van de door haar van belanghebbende verkregen middelen heeft de dochtermaatschappij een gedeelte van € 240.000.000 aangewend ter verstrekking van leningen aan de A-tophoudster en aan andere tot de A-groep behorende vennootschappen voor het aflossen van bestaande schulden. Dit gedeelte bedraagt circa 35,5 procent van de som van de hiervoor in 3.4 bedoelde bedragen van € 43.000.000 en € 635.000.000. De dochtermaatschappij heeft het restant van de door haar van belanghebbende verkregen middelen (ofwel € 438.000.000) aangewend ter verwerving van de aandelen in de A-tophoudster. Dit restant bedraagt circa 64,5 procent van diezelfde som.
3.6
In het onderhavige boekjaar (2010/2011) bedraagt de verschuldigde rente op de aandeelhouderslening € 45.256.000. In haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor dit boekjaar heeft belanghebbende dat bedrag in mindering gebracht op haar belastbare winst.

4.De oordelen van het Hof

4.1
Het Hof heeft vooropgesteld dat met het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1086 (hierna: het verwijzingsarrest), niet meer in geschil is dat een bedrag van € 37.820.406 van het totale bedrag aan rente in dit boekjaar niet aftrekbaar is omdat de aandeelhouderslening is aan te merken als een onzakelijke lening. Naar het oordeel van het Hof is uitsluitend nog in geschil of de aftrek van de – na ‘verzakelijking’ – resterende rente (oftewel: 2,5/15,216 gedeelte van € 45.256.000, dus € 7.435.594; hierna ook: de resterende rente) moet worden geweigerd wegens strijd met doel en strekking van de Wet als geheel. Naar het oordeel van het Hof, zo volgt uit rechtsoverweging 5.7 van zijn uitspraak
,heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest al geoordeeld dat de aftrekbaarheid van het deel van de resterende rente dat onder het bereik van artikel 10a van de Wet valt (namelijk 64,5 procent daarvan), niet wordt uitgesloten door artikel 10a van de Wet.
4.2.1
Het Hof heeft verder vooropgesteld dat aan twee criteria moet zijn voldaan om een samenstel van rechtshandelingen aan te merken als wetsontduiking (fraus legis). In de eerste plaats is vereist dat een willekeurige en voortdurende verijdeling van de heffing van vennootschapsbelasting het doorslaggevende motief voor de rechtshandelingen is geweest (het motiefvereiste) en ten tweede is nodig dat het met de rechtshandelingen beoogde resultaat in strijd komt met doel en strekking van de belastingwet (het normvereiste), aldus het Hof.
4.2.2
Het Hof heeft om te beginnen geoordeeld dat hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330 (hierna: het spilfunctiearrest), niet eraan in de weg staat dat de rente in zaken als de onderhavige, waarin mogelijk is gehandeld in strijd met doel en strekking van de Wet als geheel, in aftrek kan worden geweigerd met toepassing van fraus legis, ook al is op de voet van artikel 10a, lid 3, letter a, van de Wet met succes tegenbewijs geleverd. In het spilfunctiearrest draaide het om de vraag of sprake is van het aangaan van een schuld bij een verbonden lichaam dat een financiële spilfunctie vervult met het uitvoeren van financieringsactiviteiten. In het spilfunctiearrest ging het dus om een wezenlijk andere situatie dan die welke in het onderhavige geval aan de orde is, waarin het in de kern draait om een private-equity-overnamestructuur waarbij de moedervennootschap geen reële functie vervult, aldus het Hof.
4.2.3
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Hoge Raad in het arrest van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1152 (hierna: het arrest van 16 juli 2021) de kenmerkende omstandigheden heeft geformuleerd van een geval waarin aan het motiefvereiste en het normvereiste voor toepassing van fraus legis is voldaan. Wanneer deze in het arrest van 16 juli 2021 genoemde omstandigheden zich voordoen, wordt volgens het Hof de heffing van vennootschapsbelasting, door het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten (winstdrainage), op een willekeurige en voortdurende wijze verijdeld door – voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden – rechtshandelingen te bezigen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen. Doel en strekking van de Wet verzetten zich daartegen, aldus het Hof onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.2.8 van het arrest van 16 juli 2021.
4.3
Het Hof heeft daarna aan de hand van de in het arrest van 16 juli 2021 genoemde kenmerkende omstandigheden beoordeeld of de resterende rente op de aandeelhouderslening niet in aftrek komt wegens strijd met doel en strekking van de Wet als geheel. Het heeft de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.
4.3.1
Volgens het Hof is de Inspecteur geslaagd in het bewijs dat in investeringsfondsen door beleggers/investeerders middelen bijeen zijn gebracht die bij die fondsen als eigen vermogen beschikbaar waren voor investeringen in zogenoemde targets. Wat betreft het management is weliswaar onduidelijk of de middelen voor de investering (3,3 procent van het totaal geïnvesteerde bedrag) als eigen vermogen beschikbaar waren, maar omdat het private-equityhuis als ‘architect’ van de structuur kan worden beschouwd, kunnen volgens het Hof de door het management geïnvesteerde middelen worden gerekend tot “de vormgeving van de financiering van belanghebbende als zodanig”, zodat gerechtvaardigd is dat zij fiscaalrechtelijk hetzelfde worden behandeld als het overige deel van de geïnvesteerde middelen. Belanghebbende heeft ook niet gesteld dat en waarom dit anders zou moeten zijn, aldus het Hof.
4.3.2
Daarnaast heeft de Inspecteur volgens het Hof aannemelijk gemaakt dat de zeggenschap en leiding met betrekking tot de overname van de A-groep, niet alleen ten behoeve van Fonds 1 en Fonds 2 maar ook ten behoeve van de overige investeerders, bij (organen van) het private-equityhuis lag. Het gaat erom, aldus het Hof, dat de overname uiteindelijk tot stand is gekomen en dat alle investeerders – onder leiding van het private-equityhuis – gecoördineerd hebben geïnvesteerd in de acquisitiestructuur, waarbij de geïnvesteerde middelen (behoudens die van het management) naar rato zijn verdeeld over de aandelen en de PEC’s.
4.3.3
Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat het voor de investering in de A-groep beschikbare vermogen door tussenkomst van de moedervennootschap voor een deel als vreemd vermogen aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en evenmin in geschil is dat als gevolg van het aangaan van een fiscale eenheid de toestand werd bereikt dat de door belanghebbende over dat vreemde vermogen verschuldigde rente werd afgezet tegen de winst van de overgenomen A-groep. Belanghebbende en de dochtermaatschappij zijn opgericht met het oog op de overname van de A-groep door Fonds 1 en Fonds 2, waarna de dochtermaatschappij de aandelen in de A-tophoudster heeft verworven. Dat wijst volgens het Hof erop dat belanghebbende en de dochtermaatschappij als het ware zijn tussengeschoven in het kader van de acquisitie.
4.3.4
Verder heeft het Hof de Inspecteur geslaagd geacht in het bewijs dat de rentebaten die staan tegenover de door belanghebbende in aftrek gebrachte rentelasten niet zijn onderworpen aan een belasting naar de winst die naar Nederlandse maatstaven redelijk is.
4.3.5
Ook heeft het Hof in aanmerking genomen dat – behoudens het fiscale gevolg – geen economisch relevant verschil bestond tussen enerzijds het middellijk of onmiddellijk verwerven van het belang in de A-tophoudster door middel van het aanwenden van enkel eigen vermogen en anderzijds het verwerven van dat belang door middel van het transformeren van dat eigen vermogen in vreemd vermogen. Het Hof deelt namelijk de conclusie van de Inspecteur dat uit de zogenoemde watervalberekening, die door het private-equityhuis is gehanteerd voor de berekening van het rendement op de investering van de (achterliggende) investeerders, blijkt dat voor het uiteindelijke rendement op de investering in de A-groep het onderscheid van het geïnvesteerde bedrag via de PEC’s dan wel de aandeelhouderslening niet relevant is. Uit die – op zichzelf tussen partijen niet in geschil zijnde – watervalberekening volgt dat de (achterliggende) investeerders een rendement genieten passend bij de (onverdeelde) investering (naar de Hoge Raad begrijpt: zonder de totale investering te verdelen in een deel dat is aangewend als eigen vermogen en een deel dat is aangewend als leenvermogen). De hoofdsom van de aandeelhouderslening en de contractuele rente van de aandeelhouderslening beïnvloeden het totale rendement van de investering niet. De aandeelhouderslening wordt feitelijk tot het eigen vermogen gerekend, aldus het Hof.
4.3.6
Ten slotte is naar het oordeel van het Hof aan het streven om op termijn door aan- en verkoop van ondernemingen vermogenswinsten te behalen, uitvoering gegeven op een – in doorslaggevende zin – fiscaal gedreven en in zoverre gekunstelde wijze. Het Hof heeft aannemelijk geacht dat voor het aangaan van de aandeelhouderslening fiscale redenen doorslaggevend zijn geweest. Verder is naar het oordeel van het Hof van belang dat het in dit geval gaat om een volgens een vooropgezet plan gecreëerde structuur, waarbij de investering is geleid via een Luxemburgse en twee Nederlandse tussengeschakelde tussenhoudsters en de aandeelhouderslening en de tussengeschakelde vennootschappen geen (meer dan bijkomstige) andere functie hebben gehad dan het doen creëren van een rentelast die ertoe heeft geleid dat het fiscale resultaat van de A-groep, die met belanghebbende tot een fiscale eenheid is gaan behoren, werd geërodeerd en aldus de heffing van vennootschapsbelasting werd ontgaan. Volgens het Hof leidt een en ander tot de conclusie dat in het onderhavige geval is voldaan aan het motiefvereiste voor toepassing van fraus legis.
4.3.7
Op grond van hetgeen hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.6 is weergegeven, is het Hof tot de slotsom gekomen dat belanghebbende in fraudem legis heeft gehandeld.
4.4
Voor zover de dochtermaatschappij de opbrengst van de aandeelhouderslening heeft aangewend ter verstrekking van de leningen aan de A-tophoudster en aan andere tot de A-groep behorende vennootschappen voor het aflossen van bestaande schulden voor een bedrag van € 240.000.000 (dat wil zeggen: voor 35,5 procent ervan, zie hiervoor in 3.5), kan volgens het Hof de renteaftrek niet worden verhinderd door toepassing van het leerstuk van fraus legis. In zoverre vervangt de ene rentelast de andere en kan niet worden gezegd dat sprake is van het afzetten van rentelasten tegen ‘gekochte’ Nederlandse winsten (winstdrainage). Deze twee situaties zijn vanuit fiscaal opzicht wezenlijk verschillend, aldus het Hof. Het weigeren van renteaftrek zou, voor zover sprake is van herfinanciering van bestaande schulden, volgens het Hof resulteren in een hogere belastingdruk dan zich had voorgedaan zonder de transacties die het misbruik vormen. Het Hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat de rente op de aandeelhouderslening – na verzakelijking – aanzienlijk lager is (Hoge Raad: namelijk 2,5 procent [4] ) dan de rente op de bestaande schulden (Hoge Raad: namelijk 10 procent [5] ). Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur ten onrechte de rente op de aandeelhouderslening van aftrek uitgesloten voor zover die is aangewend voor de herfinanciering van bestaande schulden. Belanghebbende heeft derhalve recht op een bedrag aan renteaftrek ter hoogte van € 2.639.636, aldus het Hof.

5.Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen

5.1
De door belanghebbende voorgestelde middelen richten zich tegen de hiervoor in 4.2.2 en 4.3.7 weergegeven oordelen van het Hof die inhouden dat aftrek van de resterende rente, althans 64,5 procent daarvan, moet worden geweigerd.
5.2.1
Middel 1 richt zich tegen het hiervoor in 4.2.2 weergegeven oordeel van het Hof met het betoog dat uit het spilfunctiearrest volgt dat de aftrek van de rente niet kan worden geweigerd op grond van fraus legis, omdat uit dat arrest volgt dat, voor zover aan de dubbele zakelijkheidstoets is voldaan, “de kous daarmee af is”. Volgens het middel valt niet in te zien dat hetzelfde samenstel van schuld en rechtshandeling zakelijk is voor de toepassing van artikel 10a van de Wet en niet voor de toepassing van fraus legis. In het verwijzingsarrest is geoordeeld dat het beroep op de tegenbewijsregeling van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet slaagt voor zover het de rente betreft ter zake waarvan dat beroep is gedaan, dus voor 64,5 procent van de resterende rente. Hiermee is voor dat deel van die rente het spilfunctiearrest van toepassing en is uitgesloten dat in dit geval in zoverre is voldaan aan het motiefvereiste van fraus legis, aldus het middel.
5.2.2
Zoals is overwogen in rechtsoverweging 5.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1250, staat de omstandigheid dat binnen de 10a-structuur de aftrekbaarheid van rente niet wordt uitgesloten door artikel 10a van de Wet niet in de weg aan de mogelijkheid dat die aftrek toch moet worden geweigerd als gevolg van zich buiten de 10a-structuur voordoende gekunsteldheid met als gevolg strijd met doel en strekking (misbruik) van de Wet als geheel. [6] Dat doet zich voor in het geval van winstdrainage als bedoeld in het arrest van 16 juli 2021. [7]
5.2.3
Uit het spilfunctiearrest kan voor een geval als het onderhavige niet worden afgeleid dat de rente op dergelijke niet-omgeleide leningen niet vanwege handelen in strijd met doel en strekking van de Wet als geheel toch van aftrek wordt uitgesloten. De vaststelling dat niet is gehandeld in strijd met doel en strekking van artikel 10a van de Wet brengt immers niet mee dat het oogmerk van winstdrainage ontbreekt. Alleen in de specifieke situatie waarin binnen de 10a-structuur de geldverstrekker een financiële spilfunctie heeft, geldt dat daarmee niet alleen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen aan de door hem verstrekte lening, maar dat daarmee ook is uitgesloten dat ter zake van diezelfde lening wordt voldaan aan het motiefvereiste voor toepassing van het leerstuk van wetsontduiking (fraus legis). Uitsluitend binnen de context van het vervullen van zo’n financiële spilfunctie vormt het aantrekken van middelen van groepslichamen en het vervolgens uitlenen van deze middelen aan andere groepslichamen niet alleen voor de toepassing van artikel 10a van de Wet maar ook overigens een zakelijke, niet-fiscale overweging die meebrengt dat misbruik van recht zich niet kan voordoen. [8]
5.2.4
Het Hof heeft geoordeeld dat de moedervennootschap geen reële functie vervult (zie hiervoor in 4.2.2, laatste volzin) en evenmin een meer dan bijkomstige andere functie heeft dan een louter fiscale (zie hiervoor in 4.3.6). Hierin ligt besloten het oordeel dat de moedervennootschap geen financiële spilfunctie in de zin van het spilfunctiearrest vervult. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. [9] Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook – gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3 is vastgesteld – geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
5.2.5
Met zijn hiervoor in 4.2.2 weergegeven oordeel heeft het Hof hetgeen hiervoor in 5.2.2 en 5.2.3 is overwogen, ook overigens niet miskend.
5.2.6
Gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.4 en 5.2.5 is overwogen, faalt middel 1.
5.3.1
Middel 2 richt zich tegen het hiervoor in 4.3.7 weergegeven oordeel van het Hof.
Zoals het Hof terecht heeft geoordeeld – zie hiervoor in 4.2.3 – doet handelen in strijd met doel en strekking van de Wet als geheel zich voor indien heffing van vennootschapsbelasting, door het bij elkaar brengen van enerzijds de winst van een onderneming en anderzijds gekunsteld tot stand gebrachte rentelasten (winstdrainage), op een willekeurige en voortdurende wijze wordt verijdeld door – voor het bereiken van op zichzelf beschouwd zakelijke doeleinden – rechtshandelingen te bezigen die voor het bereiken van die doeleinden niet noodzakelijk zijn en enkel zijn terug te voeren op het doorslaggevende motief van het bewerkstelligen van de beoogde fiscale gevolgen. [10]
5.3.2
Gelet op de hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.6 weergegeven omstandigheden, heeft het Hof – zonder miskenning van hetgeen hiervoor in 5.3.1 is overwogen – kunnen oordelen dat in het onderhavige geval wat betreft het deel van 64,5 procent van de resterende rente aan het normvereiste en het motiefvereiste voor toepassing van het leerstuk van wetsontduiking is voldaan. Die oordelen van het Hof zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook middel 2 faalt.

6.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

6.1
Het middel richt zich met diverse klachten tegen het hiervoor in 4.4 weergegeven oordeel van het Hof dat 35,5 procent van de resterende rente wel in aftrek kan worden gebracht. Het gaat daarbij om het deel van de aandeelhouderslening waarmee bestaande schulden van de A-groep zijn afgelost. Ook die aftrek van rente is in strijd met doel en strekking van de Wet, aldus het middel.
6.2.1
Aan beantwoording van de vraag of aftrek van rente moet worden geweigerd op grond van handelen in strijd met doel en strekking van de Wet als geheel, gaat niet alleen toetsing aan doel en strekking van artikel 10a van de Wet vooraf [11] , maar ook – prealabel en achtereenvolgens – beantwoording van de vragen (i) of de desbetreffende geldverstrekking voor de toepassing van de belastingwet als een geldlening moet worden aangemerkt en, zo ja, (ii) of de rentevergoeding op die geldlening zakelijk is (op grond van de artikelen 8 en 8b van de Wet) en, zo niet, (iii) of die geldlening zelf onzakelijk is (op grond van artikel 8 van de Wet), en (iv) of de (eventueel voor fiscale doeleinden gecorrigeerde) rentevergoeding op die geldlening van aftrek is uitgesloten op grond van artikel 10a van de Wet.
6.2.2
Bij zijn beoordeling of de verschuldigde rente op, kort gezegd, het deel van de aandeelhouderslening waarmee bestaande schulden van de A-groep zijn afgelost en dat dus buiten de 10a-structuur valt, moet worden geweigerd, is het Hof uitgegaan van de voor fiscale doeleinden gecorrigeerde, in beginsel aftrekbare rente zoals die na het constateren van de onzakelijkheid van de aandeelhouderslening nader is vastgesteld. Gelet op hetgeen hiervoor in 6.2.1 is overwogen, is dat uitgangspunt zonder meer juist. Het middel faalt dus voor zover het verdedigt dat voor de toetsing aan doel en strekking van de Wet als geheel de rentecorrectie moet worden genegeerd.
6.2.3
Voortbouwend op dit uitgangspunt heeft het Hof het gecorrigeerde rentepercentage van 2,5 in aanmerking genomen bij zijn beoordeling of winstdrainage zoals hiervoor in 5.2.2 bedoeld, aanwezig is. Voor zover het middel erover klaagt dat het Hof aldus, maar ten onrechte, belang heeft gehecht aan de omstandigheid dat de rente op de aandeelhouderslening na correctie (‘verzakelijking’) aanzienlijk lager is dan de rente op de bestaande schulden, faalt het op de gronden weergegeven in onderdeel 7.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, in het bijzonder gegeven de aldaar vermelde omstandigheid dat de Inspecteur bij het gesloten compromis al een renteaftrek heeft aanvaard.
6.2.4
Het Hof heeft vervolgens zonder schending van het recht kunnen oordelen dat voor zover de dochtermaatschappij de opbrengst van de aandeelhouderslening heeft aangewend ter verstrekking van de leningen aan de A-tophoudster en aan andere tot de A-groep behorende vennootschappen voor het aflossen van bestaande schulden, de renteaftrek niet wordt verhinderd door toepassing van het leerstuk van wetsontduiking. Dit oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
6.2.5
De klachten dat het Hof in deze zaak anders heeft geoordeeld dan de Hoge Raad heeft gedaan in het arrest van 16 juli 2021, en dat bovendien onbegrijpelijk is dat een directe financiering met een besmette lening anders wordt behandeld dan een aanvankelijke financiering met een externe lening die wordt vervangen door een besmette lening, worden verworpen op de gronden weergegeven in onderdeel 7.15 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
6.3
Voor zover het middel betoogt dat het Hof ten onrechte onbesproken heeft gelaten de stelling van de Inspecteur dat de afgeloste externe lening voor een groot deel ook zelf een besmette lening was, faalt het op de gronden weergegeven in onderdeel 7.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
6.4
Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

7.Proceskosten

Wat betreft het beroep in cassatie van belanghebbende ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het beroep in cassatie van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.

8.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 5.442 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, M.A. Fierstra, E.F. Faase en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.

Voetnoten

4.Zie onderdeel 3.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
5.Zie onderdeel 2.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, laatste volzin.
6.Vgl. het verwijzingsarrest, HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1086, rechtsoverweging 4.5.2.
7.Vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1152, rechtsoverwegingen 4.2.6. tot en met 4.2.8.
8.Vgl. HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1250, rechtsoverweging 5.5.2.
9.Vgl. HR 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330, rechtsoverweging 3.3.8.
10.Vgl. HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1250, rechtsoverweging 5.6.1.
11.Vgl. HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1250, rechtsoverweging 5.3, en HR 22 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:469, rechtsoverweging 4.1.