ECLI:NL:HR:2025:1968

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/00573
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake parkeerbelasting naheffingsaanslag

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hoger beroep tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting werd behandeld. De zaak betrof een geschil tussen belanghebbende en het College van Burgemeester en Wethouders van Zoetermeer over de opgelegde naheffingsaanslag.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit arrest niet inhoudelijk omdat het oordeel niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om belanghebbende te veroordelen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het gerechtshof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00573
Datum19 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ZOETERMEER
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 januari 2025, nrs. BK-24/577 en BK-24/631 [1] , op het hoger beroep van de heffingsambtenaar en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 23/6179) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 3 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.