Uitspraak
1.Procesverloop bij de Hoge Raad
2.Leent de gestelde prejudiciële vraag zich voor beantwoording?
De procedure bij de politierechter en de gestelde prejudiciële vraag
Het komt er dus telkens op neer dat de rechter, met inachtneming van wat onder 3.3.2 is overwogen, een zo concreet en compleet mogelijke (voorlopige) feitenvaststelling aan zijn prejudiciële vraag ten grondslag legt. Het is die feitenvaststelling die door de Hoge Raad tot uitgangspunt wordt genomen bij de beantwoording van de prejudiciële vraag. Die feitenvaststelling kan daarom door de betrokken procespartijen in hun op grond van artikel 554 Sv Pro te maken opmerkingen in beginsel niet meer ter discussie worden gesteld. Die opmerkingen moeten zijn gericht op de beantwoording van de prejudiciële vraag in het licht van de door de rechter vastgestelde feitelijke context. De beantwoording van die vraag door de Hoge Raad kan in de betreffende strafzaak vervolgens aanleiding geven tot een nadere feitenvaststelling door de rechter.
Tot de omschrijving van de feitelijke en juridische context moet ook worden gerekend een uiteenzetting van de redenen die de rechter ertoe hebben gebracht om prejudiciële vragen te stellen. Het kan nuttig zijn dat de rechter in de beslissing waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteld, vermeldt hoe het (voorlopig) antwoord of de verschillende (voorlopige) antwoorden op die vraag volgens hem zou(den) moeten luiden. In dat verband ligt het ook in de rede dat de rechter de consequenties voor de rechtspraktijk schetst van de mogelijke antwoorden op de prejudiciële vraag.
Nu in zo’n geval met de beantwoording van de prejudiciële vraag wordt afgeweken van het onder 2.8.1 bedoelde uitgangspunt, is temeer van belang dat uit de beslissing van de rechter waarin de prejudiciële vraag wordt gesteld, blijkt dat is voldaan aan alle overige eisen die de wet stelt en die door de Hoge Raad in zijn beslissing van 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, in rechtsoverweging 3.4.1, zijn besproken.
3.Beslissing
11 februari 2025.