Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 maart 2024. Deze beschikking betrof de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van beslag op diverse goederen onder een derde op grond van een Europees onderzoeksbevel van Belgische autoriteiten.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van de klaagster beoordeeld, waarbij de advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak en ziet geen noodzaak tot motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, samen met raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 februari 2025. Het beroep wordt verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.